Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 10-08-2018

2018-08-10

Nadruk

betekenis & definitie

Nadruk, in het Fransch contrefaçon, is in meer bepaalde beteekenis het door den druk vermenigvuldigen van een boekwerk, hetwelk het eigendom is van een ander. In ruimeren zin behoort daartoe ook het namaken van plaatwerken en photographieën, het verspreiden daarvan en het onbevoegd opvoeren van tooneel- en muziekstukken.

Of een stuk nadruk moet genoemd worden, daarover beslist het eigendomsregt. Wanneer men bijv. de briefwisseling van reeds lang overleden personen door den druk algemeen maakt, zoo kan zulks welligt door de erfgenamen belet worden , doch er is dan geene sprake van schennis der bepalingen op den nadruk, — alleen van misbruik van vertrouwen. Nadruk is derhalve een inbreuk op een bestaand regt, namelijk het regt van den schrijver, den vervaardiger, den componist, den auteur van eenig werk.

Dat regt op de vruchten van geestelijken arbeid noemt men, waar de arbeid beligchaamd is geworden door den druk, het kopieregt; in ruimeren zin heet het: het auteursregt, waaronder men dan verstaat het regt van den auteur op het woord, dat gesproken wordt en op de geestesproducten, die worden voorgedragen, opgevoerd en ten gehoore gebragt. De vraag, of een auteur regt heeft, om de vruchten te plukken van zijn arbeid, en of hij dus beschermd moet worden tegen anderen, die inbreuk op zijn regt maken, om zich daardoor ten zijnen koste materiëel voordeel te verschaffen, is sints lang ten voordeele van den auteur beslist.

Niet eenstemmig nog is het oordeel van de geleerden over den grond, den oorsprong van zijn regt. De wetgever kan bij het regelen der regten van schrijvers en kunstenaars op de vruchten van hunnen arbeid uitgaan van het denkbeeld:

a. van letterkundigen of intellectuelen eigendom; b. dat de arbeider regt heeft op het loon van zijn arbeid, en dat ieder, die zich zonder grond met eens anders loon verrijkt, verpligt is tot teruggave; of c. van een stilzwijgend beding, hetwelk geacht moet worden bij den verkoop van elk exemplaar in de bedoeling van partijen te hebben gelegen, krachtens hetwelk de kooper eigenaar wordt van het gekochte, onder voorwaarde van het niet te zullen nadrukken, en er niet toe te zullen bijdragen, dat het door anderen tot nadruk wordt gebezigd; of d. dat in liet algemeen belang door de wet een regt tot uitsluitende reproductie moet worden gegeven.

Het groote bezwaar tegen het aannemen van den eersten grond bestaat vooral hierin, dat in deze gevallen van eigendom eigenlijk geene sprake meer kan zijn, zoodra de gedachte, door de mechanische middelen van druk of andere, volgens de bedoeling van den auteur zelven, gepubliceerd is geworden, tot publiek eigendom gemaakt is.

De tweede grond bevat eene juridische onwaarheid; de derde wordt geconstrueerd op fictiën, die meestal met de werkelijkheid in strijd zijn; daarom nam de Nederlandsche juristenvereeniging in hare vergadering van Augustus 1877 den vierden grond als den waren aan. De wet moet het auteursregt regelen in het algemeen belang. Doet zij 't niet, dan onderdrukt men de openbaring van de beste gedachten en benadeelt daardoor den vooruitgang van wetenschap, kunst, beschaving en verlichting.

De vraag blijft, hoe moet het regt geregeld worden, opdat het algemeen het meeste worde gebaat. Belemmert de wet de reproductie, door nadruk en andere middelen, voor goed en voor altijd, dan zou zij in dezelfde fout vervallen, als door niet-regeling. De geopenbaarde gedachte zou hare bestemming niet bereiken, zou niet worden gemeen goed; de wetenschap en de beschaving zouden zoodoende eveneens schade lijden.

Daarom wordt in de nieuwere wetgevingen in deze materie algemeen het beginsel toegepast, dat het regt van den schrijver of kunstenaar, op welken grond dan ook toegekend, binnen eene bepaalde tijdruimte moet worden besloten, waarvoor men dan meestal aanneemt een vasten termijn van een vooraf bepaald aantal jaren, welk aantal geheel onafhankelijk gemaakt wordt van den leeftijd des auteurs. Het onderwerp is bij ons tegenwoordig nog geregeld door de wet van 25 Januarij 1817 Stbl. N° 5; een nieuw wetsontwerp is door onze regéring aan de volksvertegenwoordiging ingediend in den loop van Augustus 1877. De wet van 1817 regelt alleen het kopieregt; het nieuwe ontwerp behandelt het auteursregt.

Het regt van kopiëren door den druk, zegt de wet van 1817, is voor oorspronkelijke letter- en kunstwerken, het uitsluitend regt van diegenen, welke daarvan auteurs zijn, om hunne letter- en kunstwerken, geheel of gedeeltelijk, verkort of verkleind, zonder onderscheid van vorm of inkleeding, in eene of meer talen, met of zonder hulp der graveerkunst of eenige tusschenkomende kunst, door den druk gemeen te maken, te verkoopen of te doen verkoopen.

Het ontwerp bepaalt het begrip en den omvang van het auteursregt aldus: „Het regt, om geschriften, plaat-, kaart-, muziek-, tooneelwerken en mondelinge voordragten door den druk gemeen te maken, alsmede om muziek- en tooneelwerken in het openbaar uit- en op te voeren, komt den auteur en zijnen regtverkrijgenden uitsluitend toe.

Met auteurs worden in het ontwerp gelijkgesteld, de ondernemers van de zooeven vermelde werken, gevormd door bijdragen van onderscheidene medearbeiders, openbare instellingen, vereenigingen en genootschappen ten opzigte van de door hen bezorgde werken, auteurs van vertalingen ten opzigte van hunne vertaling. Van anonieme en pseudonieme werken wordt de uitgever of de drukker als auteur aangemerkt, zoolang geen ander zich als zoodanig heeft doen kennen. Geen auteursregt bestaat ten opzigte van ’t geen door de openbare magt ter kennis van het algemeen is gebragt.

Tot het regt van den auteur behoort het door den druk gemeen maken van vertalingen van: a. zijne niet door den druk gemeen gemaakte werken of zijne mondelinge voordragten; b. zijne wél door den druk gemeen gemaakte werken, indien hij zich bij de oorspronkelijke uitgave dit uitsluitend regt voor een of meer bepaald genoemde talen heeft voorbehouden, en hij zijne vertaling binnen drie jaren na de uitgave door den druk heeft gemeen gemaakt.

Zonder schending van het auteursregt mogen ter beoordeeling of voor schoolgebruik uittreksels uit gedrukte werken worden overgenomen en aangehaald. Zoo mogen ook uit muziekwerken op zich zelven staande stukken of losse nummers voor zang of instrumenten worden uitgevoerd zonder toestemming van den auteur. Het auteursregt belet ook niet het geven van een verslag omtrent eene mondelinge voordragt, die in eene openbare bijeenkomst gehouden is. Het auteursregt is eene roerende zaak, vatbaar voor geheele of gedeeltelijke overdragt, ook door erfopvolging. De werken, waarvoor men zich het auteursregt wil voorbehouden, moeten, ook volgens onze tegenwoordige wet, aan de regéring worden ingezonden, die daarvan eene lijst aanhoudt en ter kennis brengt van het publiek.

De wet van 1817 laat het auteursregt voortduren tot twintig jaren na den dood van den auteur of den vertaler; volgens het ontwerp van 1877 duurt het regt op gedrukte werken vijftig jaren na de eerste uitgave, of, zoo de auteur dezen termijn overleeft, levenslang; op niet gedrukte werken bestaat het dertig jaren na den dood van den auteur. Voor mondelinge voordragten wordt wederom vijftig jaren sedert de eerste voordragt voorgesteld, of levenslang.

Het regt van den auteur kan worden gehandhaafd door de gewone regtsmiddelen van het burgerlijk regt, en de inbreuk op dat regt kan door den strafregter worden vervolgd. De eene actie is onafhankelijk van de andere, en de onjuridische zamenkoppeling van beide actiën, in de wet van 1817 voorkomende, is dus ter zijde gesteld.

Het begrip van het regt wordt in het nieuwe ontwerp ruimer gesteld en naauwkeuriger omschreven dan in de bestaande wet: bovendien wordt deze in het ontwerp verduidelijkt en aangevuld, betreffende de navolgende punten: de onzekerheid aangaande de werken, waarvan kopieregt bestaat, wordt opgeheven; de bepalingen zijn toepasselijk gemaakt op anonieme, pseudonieme, collectieve en posthume werken; het kopieregt wordt voortaan aan kerk- en schoolboeken niet meer ontzegd; de vermogenswaarde van dramatische en muzikale werken wordt erkend en beschermd; het wederregtelijk uitgeven van mondelinge voordragten is geregeld; de regtsmiddelen tot handhaving van het regt zijn practischer ingerigt en consequenter uit elkander gezet; de bepalingen omtrent het auteursregt zullen voortaan ook verbindend zijn voor Nederlandsch Indië, zoodat niet meer straffeloos de grofste misbruiken kunnen worden gepleegd door den nadruk hier te lande van in Indië uitgekomen werken, en omgekeerd.

— Het regt van de Nederlandsche auteurs, vertalers en uitgevers, is tot heden, behalve door de genoemde wet van 1817, gehandhaafd en beschermd geworden door de bepalingen, die gelden volgens de Statuten van de Nederlandsche Vereeniging voor de bevordering van de belangen des boekhandels, welke vereeniging reeds in 1860 bij de Regéring een wetsontwerp tot regeling van het kopieregt heeft ingezonden.