Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 08-08-2018

Lang

betekenis & definitie

Onder dezen naam vermelden wij:

Thomas Lang, een beroemd graveur en stempelsnijder. Hij werd geboren te Schwarz in 1749, moest volgens den wensch van zijn vader den tuinbouw leeren, maar besteedde zijne vrije uren aan de beoefening der kunst. Nadat hij in 1776 de kunstschatten der académie te Weenen had gezien, waagde hij zich aan de vervaardiging van een bas-relièf ter hoogte van ½de Ned. el en de wachtparade van koning Frederik van Pruissen voorstellende. Daarna beitelde hij een triomfboog van albast, een tafereel opleverend van een intogt van keizerin Maria Theresia. Daardoor verkreeg hij een jaargeld, hetwelk hem veroorloofde zich geheel en al aan de kunst te wijden. Weldra werd hij lid van de académie te Weenen en directeur der graveer- en medaille-school. Hij overleed in 1812.

Karl Heinrich, ridder von Lang, een Duitsch geschiedschrijver. Hij werd geboren te Balgheim in Zwaben den 7den Julij 1764, genoot een gebrekkig onderwijs, bezocht tot op 15-jarigen leeftijd het gymnasium te Oettingen, werd toen amanuensis aan eene boekerij en begaf zich in 1782 naar de universiteit te Altdorf. Na het voleindigen zijner studiën wijdde hij zich te Oettingen aan de regtspractijk. Hier gaf hij 2 jaargangen in het licht van het „Oettingisches Wochenblatt”, benevens „Beiträge zur Kentnisz des ötting. Vaterlandes” en vertrok in 1788 naar Weenen, waar hij hofmeester werd in het paleis van een Hongaarschen magnaat en vervolgens secretaris van den Würtembergschen gezant. Toen hij deze betrekking verloor, ging hij in 1791 naar Göttingen, waar hij 2 jaren ijverig studeerde en zijne: „Historische Entwickelung der deutschen Steuerverfassung (1793)” in het licht gaf. Nu ontving hij van den vorst von Hardenberg den last om het familie-archief in orde te brengen en werd in 1795 geheim-archivaris te Plassenburg. Als Pruissisch secretaris van legatie woonde hij het Congrès te Rastadt bij, en na zijn terugkeer aanvaardde hij de betrekking van lid van den krijgsraad en van den raad van Domeinen te Ansbach (1799).

Nadat de provincie Ansbach aan Beijeren was afgestaan, werd hij in 1806 directeur van een collegie en in 1811 van het rijksarchief te München. Tevens werd hij adviseur voor archiefzaken enz. Wrevelig over de tegenwerking, welke hij ondervond, keerde hij in 1815 als arrondissementsbestuurder naar Ansbach terug, doch nam in 1817, toen de graaf de Montgelas de portefeuille nederlegde, zijn ontslag en wijdde zich op zijn landgoed aan de beoefening der letteren. Hij overleed aldaar den 26sten Maart 1835. Van zijne geschriften vermelden wij nog: „Historische Prüfung des vermeintlichen Alters der deutschen Landstände (1796)”, — „Neuere Geschichte des Fürstenthums Baireuth (1798—1811, 3 dln)”, — „Annalen des Fürstenthums Ansbach unter der preuszische Regierung (1806)”, — „Bair. Jahrbücher von 1179—1294 (1816; druk 1824)”, — „Adelsbuch des Königreichs Baiern (1816; 2de druk 1820)”, — „Geschichte der Jesuiten in Baiern (1819)”, — „Geschichte des bair. Herzogs Ludwig des Bärtigen (1821)”, — „Pegesta Bavarica, seu rerum Boicarum autographa (1822— 1828, 4 dln)”, —„Baierns Gauen nach den drei Volksstämmen der Alemannen, Franken und Bojaren (1830)”, — „Baierns alte Grafschaften (1831)”, — „Hammelburger Reisen (1818— 1833”, — en „Memoiren (1842 , 2 dln).” Heinrich Lang, een verdienstelijk Protestantsch godgeleerde. Hij werd geboren te Frommern bij Balingen in Würtemberg, ontving zijne opleiding aan de Latijnsche school te Sulz aan de Neckar, voorts te Schönthal en van 1844 tot 1848 aan de universiteit te Tübingen, waar hij vooral in de lessen van Baur behagen schepte. Na de voleindiging zijner studiën zag hij zich tot godsdienstleeraar te Wartau in St.

Gallen benoemd en stichtte er met andere jonge predikanten in 1859 de: „Zeitststimmen aus der reform. Kirche der Schweiz”, waarin hij de wetenschappelijke uitkomsten der vrijzinnige theologie bekend zocht te maken aan ontwikkelde gemeenteleden. Daarenboven schreef hij: „Versuch einer Christl. Dogmatik (1858)”, — „Gang durch die christl. Welt (1859)”, — „Religiösen Charaktere (1862)”, — „Predigten (1859)”, — „Das Leben Jesu und die Kirche der Zukunft (1872)”, — en „Religiösen Reden, gehalten in St.

Peter (1872). In 1863 werd hij leeraar te Meilen aan het Züricher meer, en in 1871 in de St. Pieterskerk te Zürich. Een beroep naar Bremen in 1865 wees hij van de hand. Hij overleed in 1876.