Kunst betekenis & definitie

Kunst. Niet alleen dit Nederlandsche woord, afkomstig van kunnen, maar ook het Grieksche woord voor kunst en het Latijnsche ars geven in het algemeen eene door oefening verkregene vaardigheid te kennen. Men spreekt in dien zin van kookkunst enz. In aesthetische beteekenis echter bedoelt men met het woord kunst de schoone of vrije kunsten, namelijk: de bouw-, beeldhouw- en schilderkunst, de muziek en de poëzij, — waarbij sommigen nog de tuinierkunst, de gymnastiek (dansen, rijden en vechten) en de tooneelkunst voegen.

Vraagt men naar het verschil tusschen de genoemde vaardigheid en de schoone kunst, zoo is dat hetzelfde als tusschen het nuttige en het schoone. De schoone kunst verliest wel is waar het nuttige niet uit het oog, maar zij gaat verder en zoekt tevens het schoonheidsgevoel te bevredigen.

De behoefte aan schoone kunsten is onafscheidelijk van ’s menschen natuur; men vindt haar zelfs bij de ruwste volken. Het is merkwaardig, dat overal de schoone kunsten in den aanvang voortvloeijen uit het verlangen om altaren, heiligdommen en gedenkteekenen op te rigten voor goden en helden, om afgodsbeelden van leem, steen of metaal te vervaardigen, en den roem van het voorgeslacht in dichterlijke taal te verkondigen. De schoone kunsten vloeijen voort uit ons gemoed, — zij zijn de dochters van het gevoel. De mensch vormt in zijn geest eene voorstelling van zijne goden en helden, en hij zoekt die in zijne beelden aanschouwelijk te maken. Het gevoel wordt dus door de afbeelding geholpen.

De kunst is alzoo, als gewrocht der verbeelding, eene werkzaamheid des geestes; zij wil eene gedachte tastbaar maken. Zij is dus eene taal, evenzeer als de taal der woorden. Bovenal echter getuigt zij van ’s menschen aard als gevoelswezen, van zijn hart, van zijne liefde. De kunst geeft ons dus niet, zooals de wetenschap, enkel begrippen, maar voorstellingen, daden, karaktertrekken, — zij bekoort ons door de volheid en frischheid van het zintuigelijk waarneembare.

Men heeft zoovele soorten van kunst als er vormen van uitdrukking zijn voor het leven der natuur en des geestes. De wereld is óf bewustelooze natuur óf zelfbewuste, denkende en handelende geest. Tusschen die beide uitersten bevindt zich het onzijdig gebied, waar de zelfbewuste geest reeds aanwezig is, maar nog niet denkend en handelend optreedt, zich enkel openbarend in het onbepaalde streven van het gevoel. Daarnaar regelt zich de kunst in hare verschillende gedaanten. In de voorstelling van de bewustelooze, zuiver zinnelijke wereld der vormen beweegt zich de beeldende kunst, — in het doorgronden en schilderen van ’s menschen daden en eigenschappen der poëzij, — en in de bevrediging van de meest kinderlijke gevoelens des geestes de muziek. Men splitst voorts de beeldende kunst in bouw-, schilder- en beeldhouwkunst, naar gelang zij zich uitsluitend bepaalt bij de lijnen, vormen en evenredigheden der onbewerktuigde natuur, — bij de uitwendige gedaante van bewerktuigde wezens, inzonderheid van menschen, — of door licht en kleur den indruk van hare voorstellingen zoekt te verhoogen.

Iedere soort van kunst heeft voorts hare eigenaardige bouwstoffen en voertuigen, de bouwkunstenaar en de beeldhouwer steen, metaal, hout enz., — de schilder verwen, — de toonkunstenaar de menschelijke stem of een muziekinstrument, — en de dichter de taal. De kunstenaars genieten bij het bezigen daarvan eene onbeperkte vrijheid, en men spreekt daarom teregt van vrije kunsten. Het is duidelijk, dat men hetzelfde van de tuinbouwkunst, van de danskunst en van de dramatische kunst niet verzekeren kan. Ook deze bepalen zich niet bij het nuttige, maar streven naar het schoone, doch de kunstenaar is hier gebonden aan een bepaald stuk grond, of aan zijn eigen ligchaam. De stof belemmert hier de nadering tot het ideale.

Een en ander zij voldoende om aan te toonen, dat kunstvaardigheid geene kunst is in de verhevene beteekenis van het woord. De kunst is eene telg van gevoel en verbeelding; zij wordt veredeld door den smaak, door het besef van de wetten der harmonie, en de kunstvaardigheid dient alleen om met de grootst mogelijke naauwkeurigheid de gewrochten onzer verbeelding aanschouwelijk voor te stellen.