J betekenis & definitie

J, de tiende letter van ons alphabeth, mag als medeklinker beschouwd worden en als eene versterking van den klinker i, bepaaldelijk wanneer de i als eerste letter van eene lettergreep vóór een klinker komt te staan, of ook tusschen 2 klinkers. Niet alle talen hebben voor deze letter een afzonderlijk teeken. De Grieken en Romeinen kenden geen onderscheid tusschen i en j, hoewel de i in vele woorden, bijv. in maius, peius enz., als j uitgesproken werd. Nederlandsche beoefenaars dier talen bragten in de 16de en 17de eeuw het afzonderlijke teeken der j in de gedrukte schriften van Latijnsche schrijvers.

Van de Germaansche talen heeft het Gothisch een afzonderlijk teeken voor de j, en dit bekleedt er in het alphabeth de 15de plaats tusschen de n en u. In de Oud- en Midden-Nederlandsche en Hoogduitsche handschriften vindt men alleen den klinker i, en eerst geruimen tijd na de uitvinding der drukkunst kwam de j in zwang, die men op de i liet volgen. De uitspraak der letter j is dikwijls dezelfde als die van y, — voorts in het Engelsch als dzj, in het Fransch en Portugeesch als ch en in het Spaansch als x. De j ontbreekt in het Italiaansch; maar dit heeft in hare plaats den zachten klank gi, welke met den haren overeenkomt. Ook in de Slawische talen ontbrak oorspronkelijk de j; doch zij heeft er langzamerhand het burgerregt verkregen.

Laatst bijgewerkt 08-08-2018