Haastert betekenis & definitie

Haastert (Isaak van), een Nederlandsch geleerde, geboren te Delft in 1753, legde zich met ijver toe op de teeken- en schilderkunst, — voorts op de dichtkunst, en eindelijk op de kennis der planten- en dierkunde' Hij oefende zich in de teeken- en schilderkunst vooral bij den Venetiaan Hiéronymus Lupis en bragt vooral landschappen op het doek, alsmede stadsgezigten, waarvan sommigen in plaat zijn gebragt. Hij was een der oprigters van het Delftsch Genootschap „Christo Sacrum”. Tot zijne dichterlijke voortbrengselen behooren: „Proeve van Mengelpoëzij (1785)”, — „De godsdienst, dichtstuk (1802)”, — en „Mengelpoëzij (1826)”. Ook schreef hij: „A. van Leeuwenhoek vereerend herdacht in eene korte levensschets en lofdicht (1823)”.

Zijne antwoorden op prijsvragen werden bij herhaling met zilver bekroond. Ook was hij lid van de Leidsche Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde, en overleed te Delft den lsten Maart 1834. Zijne uitgebreide verzameling van voorwerpen van kunst en uit de natuurlijke historie is daarna onder den hamer gebragt.

Laatst bijgewerkt 08-08-2018