Haat betekenis & definitie

Haat noemt men den bepaalden afkeer van den eenen mensch met betrekking tot een ander. Haat is dus het tegenovergestelde van liefde of toegenegenheid jegens den naaste. Beide — haat en liefde — staan in dezelfde onderlinge verhouding als afstooting en aantrekking, als smart en vreugde. Immers wij gevoelen ons aangetrokken door personen, die aangename gewaarwordingen bij ons opwekken, en afgestooten door anderen, die pijnlijke aandoeningen bij ons veroorzaken.

In meer beperkten zin ligt in het woord haat opgesloten, dat men gaarne het voorwerp van zijn haat schade berokkent. Daarom kan haat bij een braaf mensch eigenlijk niet bestaan, — althans niet tegen personen. Zij ontstaat gewoonlijk door geleden onregt, nijd, ijverzucht of gekrenkte eerzucht. De haat onderscheidt zich daardoor van de verachting, dat zij geenszins, evenals deze, hare voorwerpen gering acht. Dientengevolge heeft men er voorbeelden van, dat ijverzucht de vurigste liefde in den hevigsten haat herschiep.

Laatst bijgewerkt 08-08-2018