Fabre d’Eglantine betekenis & definitie

Fabre d’Eglantine (Philippe François Nazaire), een Fransch dichter en een van de mannen der groote Omwenteling, werd geboren te Carcassonne den 21sten December 1755. Schoon wegens den behoeftigen toestand zijner ouders van eene degelijke opvoeding verstoken, bezorgde zijn gunstige aanleg hem als jongeling bij de Jeux floraux (Bloemspelen) te Toulouse den prijs der wilde roos (églantine), zoodat hij dezen naam bij den zijnen voegde. Zijne ligtzinnigheid bragt hem op het tooneel, doch daar hij als acteur de grenzen der middelmatigheid niet overschrijden kon, begaf hij zich op 30-jarigen ouderdom naar Parijs, om er zich aan de dicht- en letterkunde te wijden. Zijne eerste pogingen waren evenwel niet bevredigend voor zijne eerzucht.

Hij schreef sedert 1787 onderscheidene blijspelen, die niet bevielen, totdat in 1790 zijne comédie „Le Philinthe de Molière” den gewenschten bijval verwierf. Hierop volgden „L’intrigue épistolaire”, — „Convalescent de qualité”, enz., die wel is waar niet veel beteekenen, maar toch getuigenis geven van zijn talent. Bij het uitbarsten der Revolutie spoorde eerzucht hem aan, om zich te verbinden met Desmoulins, Lacroix en Danton, en toen laatstgenoemde na de gebeurtenissen van 10 Augustus 1792 zich met de portefeuille van Justitie belastte, werd Fabre d'Eglatiine secretaris-generaal. Als afgevaardigde van Parijs werd hij lid der Conventie, stemde er vóór den dood des Konings en zag zich vervolgens benoemd tot lid van het Comité du salut public. Zijne gaven als staatkundig redenaar waren gering. Schoon men hem verdacht hield van laaghartige geldspeculatie, leverde hij bij de Nationale Conventie eene aanklagt in tegen de woekeraars en droeg het wetsontwerp van het maximum voor.

Als rapporteur over de invoering van den Republikeinschen kalender gaf hij blijken van verregaande onwetenheid. Welligt om zich te zuiveren van de tegen hem ingebragte beschuldigingen, liet hij zich den 24sten October 1793 gebruiken als getuige tegen de Girondijnen en betichtte hen op eene bespottelijke wijze van het ontvreemden van huisraad des Konings. Toen hij echter daarna met de partij van Danton in verzet kwam tegen de Jacobijnen, werd hij door toedoen van Hébert in hechtenis genomen. Den 13den Januarij 1794 werd hij openlijk beschuldigd van vervalsching van documenten, van verduistering van staatsgelden en van verstandhouding met Pitt, zoodat hij den 5den April daaraanvolgende met Danton het schavot moest beklimmen. Hjj onderging den dood, met moed, nadat hij met geboeide handen zijn onuitgegevene gedichten onder het volk had verdeeld. Zijne comédie „Les précepteurs” werd in 1799 met ongemeene geestdrift begroet, en zijne „Oeuvres posthumes mêlées” zijn in 1801 in 2 deelen in het licht verschenen.

Laatst bijgewerkt 07-08-2018