Fabel (Eene) betekenis & definitie

Fabel noemt men in het algemeen een verdicht verhaal, — en meer bepaald eene dichtsoort, die in allegorischen vorm eene ernstige les of eene belangrijke waarheid verkondigt. De naam is afkomstig van het Latijnsche woord fabulari of favellare (spreken, verhalen). De fabel ontleent haren vorm doorgaans aan de natuur, — aan dieren, planten en zelfs aan levenlooze voorwerpen, die veelal denkende en sprekende worden voorgesteld, en in dien vorm hult zij regelen van levenswijsheid.

De fabeldichter mag zich dus vrij bewegen op het gebied der wonderen en onmogelijkheden, mits hij daarbij zijn doel voor oogen houde en de wetten eener edele eenvoudigheid niet miskenne. Ook is het hem geoorloofd, gebruik te maken van scherts en satyre, of om op het gevoel te werken. Duidelijk en krachtig moet de toepassing — de moraal van de fabel — wezen.

De fabel is zeer oud. Men vindt haar reeds in het boek der Rigteren (IX : 8—15), waar Jotham onderscheidene boomen sprekende invoert. Bekend zijn voorts de Arabische fabelen van Lockman, de Grieksche van Aesopus, en de Latijnsche van Phaedrus. Tot de voornaamste fabeldichters van lateren tijd behooren Gay in Engeland, Yriarte, in Spanje, Gellert in Duitschland en Lafontaine in Frankrijk. Ons Vaderland heeft geene uitstekende fabeldichters voortgebragt; vermoedelijk ontbreekt ons de levendigheid van verbeelding, welke die dichtsoort vordert.

Men geeft den naam van fabelleer ook wel aan de godenleer der Grieken, Romeinen, Skandinaviërs, enz., — zie onder Mythologie.

Laatst bijgewerkt 07-08-2018