Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 08-08-2018

Haren

betekenis & definitie

Haren (van) is de naam van een vermaard Friesch geslacht. Het is eigenlijk van Duitsche afkomst, en Ogier van Haren, die als de stamvader dezer familie wordt beschouwd, leefde in 1240 te Aken. Eerst Adam of Daam van Haren, een zoon van Everard van Haren, schepen te Aken, vestigde zich in de Nederlanden en overleed te Aken den 3den Mei 1689.

Hij had deel genomen aan het Verbond der Edelen, weshalve hij weder eenigen tijd naar Aken de wijk moest nemen. Van de leden van dit geslacht noemen wij voorts:

Adam van Haren, bekend onder den naam van hopman Daam. Hij behoorde tot de Watergeuzen en nam deel aan de inneming van den Briel, waar hij in 1573 nog met zijne vrouw en 4 kinderen vertoefde. Wegens zijne dapperheid werd hij raad en hofmeester van prins Willem 1, ging na den dood van dezen in dienst van Lodewijk, stadhouder van Friesland, en overleed te Leeuwarden in 1590. Hij heeft een dagverhaal geschreven van zijne omzwervingen, sedert Alva’s komst in de Nederlanden tot aan de inneming van den Briel, doch het is bij den brand, die in December 1732 in de woning van Willem van Haren te St. Anna-Parochie woedde, verloren gegaan. Voorts vermeldt men, dat nog in de familie Asbeck een zwaard aanwezig is, door Lumey aan Daam van Haren geschonken.

Willem van Haren, een broeder van den voorgaande. Hij werd geboren te Arnhem den 19den Januarij 1581. Hij was ritmeester en opperstalmeester van graaf Lodewijk van Nassau en had, als gedeputeerde der edelen van Friesland, zitting in de vergadering der Staten-Generaal. Hij overleed te ’s Hage den 9den December 1649.

Ernst van Haren, derden zoon van den voorgaande. Hij werd geboren te Leeuwarden den 13den December 1623, was reeds in 1645 ritmeester, in 1659 majoor en in 1668 kolonel van een regement infanterie. In 1673 in een gevecht bij Zwartsluis was hij aanvoerder der ruiterij, en kort daarna werd hij benoemd tot grietman van West-Stellingwerf. Hij bekleedde die betrekking tot 1686, werd toen lid van Gedeputeerde Staten, woonde te Wolvega, en overleed te Heerenveen den 16den Augustus 1701.

Willem van Haren, een broeder van den voorgaande. Hij werd geboren te Leeuwarden den 17den October 1626, studeerde te Franeker, Utrecht en Leiden, vertoefde 2 jaar te Parijs en wilde vervolgens Italië bezoeken, toen hij wegens de ziekte zijns vaders naar huis werd ontboden. Hier zag hij zich in 1650 benoemd tot gevolmagtigde ten Landsdage en rentmeester-generaal der domeinen, voorts in 1652 tot grietman van het Bildt en kort daarna tot lid van den Raad van State. Ook werd hij belast met belangrijke zendingen. In 1659 was hij een der gevolmagtigden op de vloot van de Ruyter, afgezonden naar de Oostzee, om den vrede tusschen Denemarken en Zweden tot stand te brengen. Hij ontving den dank voor zijne wèlgeslaagde bemoeijingen en tevens den titel en de waardigheid van gewoon lid in het collegie van Hunne Hoogmogenden. In 1663 vertrok hij aan het hoofd van een gezantschap naar Oost-Friesland, om het uitbarsten van een oorlog tusschen dit land en den Bisschop van Münster te voorkomen. In 1655 was hij met Jan de Witt afgevaardigde op de vloot, volbragt daarna zendingen naar Luik, Berlijn en Cleef, bewees als lid van het collegie van Gedeputeerde Staten van Friesland belangrijke diensten aan die provincie en herstelde de rust aan de académie te Franeker.

In 1671 werd hij naar Zweden afgevaardigd en maakte er zich bij den Koning zóó bemind, dat deze hem in den gravenstand wilde opnemen. Toen de Friesche edelman deze gunst van de hand wees, ontving hij ’s Konings portret, rijk versierd met diamanten. Na zijn terugkeer woonde hij den vruchteloozen vredehandel te Aken en te Keulen bij, en was vervolgens lid van het gezantschap, dat in Mei 1674 naar Engeland gezonden werd, om er de oude vriendschapsverdragen te vernieuwen. Bij zijn terugkeer had het vaartuig een hevigen storm te verduren, doch de beradenheid van van Haren was oorzaak, dat het behouden bleef. Vooral ook schitterde zijne bekwaamheid in 1675 bij den vredehandel te Nijmegen, en nog vóór zijn terugkeer zag hij zich benoemd tot curator der Friesche hoogeschool. In 1683 en 1690 werd hij op nieuw afgevaardigd naar Zweden, en in 1697 was hij als gevolmagtigde bij de vredesonderhandelingen te Rijswijk. Ten slotte nam hij deel aan een gezantschap naar Engeland, in 1702, belast met de taak om na den dood van koning Willem III zijne opvolgster Anna met hare troonsbeklimming geluk te wenschen.

Daarna keerde hij naar Friesland terug, om zijne overige levensdagen rustig door te brengen. Zijne grietmansbetrekking had hij reeds in 1701 ten behoeve van een zijner neven nedergelegd. In 1707 werd hij echter op nieuw gekozen tot lid van Gedeputeerde Staten van Friesland, waarna hij den 15den April 1708 te Leeuwarden overleed. Zijne aanteekeningen omtrent zijne verschillende zendingen enz., in 30 folio-deelen vervat, zijn bij den brand van het slot der van Harens te St. Anna-Parochie (1732) verloren gegaan. Zijn fraai geschilderd portret vindt men in het huis van den tegenwoordigen burgemeester van Weststellingwerf te Wolvega.

Willem van Haren, een zoon van Ernst. Hij werd geboren te Heerenveen den 6den Januarij 1665, was achtervolgens grietman van Doniawerstall, West-Stellingwerf en het Bildt, had zitting in het collegie van Gedeputeerde Staten, was gecommitteerde in vele provinciale- en generaliteitscommissiën, en overleed te St. Anna-Parochie den 18den September 1728.

Adam Ernst van Haren, oudsten zoon van den voorgaande. Hij werd geboren te Leeuwarden den 25sten October 1683, zag zich in 1698 benoemd tot grietman van het Bildt, — voorts tot lid van Gedeputeerde Staten, ontvanger-generaal van ’t Bildt en lid der Admiraliteit te Harlingen. Hij overleed te Leeuwarden den 12den Mei 1717.

Willem van Haren, oudsten zoon van den voorgaande. Hij werd geboren te Leeuwarden den 21sten Februarij 1710, en daar hij op 7-jarigen leeftijd zijn vader verloor, belastte zijn grootvader zich met zijne opvoeding. Hij bezocht toen de Latijnsche school te Leeuwarden, waar hij onder de leiding van Isaac Valckenaer uitmuntende vorderingen maakte, en vertrok vervolgens op 14-jarigen ouderdom naar de académie te Franeker, alwaar hij de lessen van Hemsterhuis, Wesseling en Heinneccius bijwoonde. Daarna begaf hij zich naar Groningen, waar hij in het huis van den hoogleeraar Jean Barbeyrac en onder de leiding van dezen hoogstbeschaafden man zijne studiën voortzette. Ook legde hij zich met ijver toe op de toon-, dicht- en teekenkunst. Weldra werd hij grietman van het Bildt, en in 1728, na het overlijden van zijn grootvader, betrok hij het kasteel te St. Anna-Parochie. Op loffelijke wijze behartigde hij er de belangen der ingezetenen, en werd er tevens benoemd tot ontvanger-generaal.

Intusschen had hij met vele rampen te worstelen. In korten tijd ontrukte de kinderziekte hem zijne moeder en zuster en deed hemzelven tot aan zijn dood toe lijden aan een zwak gezigt. Voorts verbrandde in December 1732 zijn kasteel met een aantal handschriften en zeldzaamheden. Toen voorts in 1734 zijn kasteel weder opgebouwd werd, deed hij eene reis naar Engeland en trad hier in het huwelijk met eene dame uit het gevolg van prinses Anna. In 1747 en 1748 was hij gedeputeerde te velde en bewees belangrijke diensten bij de belegering van Bergenop-Zoom.

Tijdens zijn verblijf in Noord-Brabant kocht hij het kasteel te St. Oedenrode in de Meijerij van ’s Hertogenbosch en werd kwartierschout en dijkgraaf van Peelland. In zijne grietenij hadden inmiddels ongunstige gebeurtenissen plaats. Sommige boeren waren er met kleine geldboeten gestraft, waarna zij het kasteel van van Haren overrompelden en leeg plunderden. Hierdoor was hij in groote geldelijke ongelegenheid gebragt, zoodat hij in 1763 zijne grietenij moest verkoopen.

Sedert den Vrede van 1748 was hij afgezant aan het Hof van den hertog van Lotharingen, gouverneur-generaal der Oostenrijksche Nederlanden te Brussel, en verblijdde zich bij voortduring in de gunstrijke toegenegenheid van Willem IV en zijne gemalin. Toen eerstgenoemde overleden was, verheugde hij zich bij voortduring in het vertrouwen van prinses Anna, zoodat hij zich in 1752 tot haar commissaris benoemd zag bij de onderhandelingen tusschen onzen Staat en de Oostenrijksche Nederlanden. In 1758 verloor hij echter zijne echtgenoote, en toen hij andermaal in het huwelijk wilde treden met Anna Catharina Louisa de Natalis, door anderen ook Natalis Pfeffer genaamd, werd hij vervolgd door den laster, welke hem uit de gunst van prinses Anna wilde verdringen. Hierdoor kwam hij tot het besluit om zijne verloofde te verzaken, ten einde de toegenegenheid der Vorstin te behouden. Toen echter deze in 1759 overleed, werd de echt gesloten, en zijne benijders lieten niets onbeproefd, om hem ten val te brengen. Schoon hij in bekrompene omstandigheden zijne dagen doorbragt, behield hij in den avond zijns levens de achting, welke hij steeds aan het Hof te Brussel genoten had, bleef er de belangen zijner landgenooten met ijver behartigen, en overleed aldaar den 4den Julij 1768. Het verhaal dat hij door het innemen van vergif z|jn einde verhaast heeft, is vermoedelijk een lasterlijk verzinsel van zijne vijanden.

Deze uitstekende staatsman, gloeijende van ijver voor zijn Vaderland, voor vrijheid en regt, was tevens een voortreffelijk dichter, begaafd met eene uitgebreide kennis, een schrander oordeel en eene levendige verbeeldingskracht. Beroemd zijn van hem: „Gevallen van Friso, koning der Gangariden en Phrasiaten”, een heldendicht, dat in 1742 werd uitgegeven en in 1758 omgewerkt en herdrukt, — voorts „Leonidas” en „Lierzangen”, desgelijks in 1742 in het licht verschenen, en in 1824 door de zorg van M. Westerman in klein formaat nogmaals uitgegeven. De „Friso” is ook in het Fransch vertaald (1785). Eene verzameling handschriften, brieven aan en van de van Haren's, door Jacob van Leeuwen te Leeuwarden verzameld, is na den dood van dezen geplaatst in de Provinciale Bibliotheek van Friesland. — Omtrent zijne onwettige dochter Henriëtte Amalie raadplege men het artikel Nerah (Madame de).

Onno Zwier van Haren, een broeder van den voorgaande en desgelijks een uitstekend staatsman en dichter. Hij werd geboren te Leeuwarden den 2den April 1711, en na den dood zijns vaders door zijn oom Duco van Haren toevertrouwd aan den Zwolschen rector Gijsbert Wessel Duker. Reeds in 1727 vertrok hij naar de hoogeschool te Franeker, waar hij de lessen hoorde van Jacobus Voorda, dien hij in 1736 naar Utrecht volgde. Bij zijn terugkeer in Friesland zag hij zich vereerd met het vertrouwen van Willem IV, en werd achtervolgens benoemd tot historieschrijver van Friesland (1734), tot grietman van West-Stellingwerf (1742), tot commissaris-generaal der Zwitsersche troepen in dienst van den Staat, tot lid der Staten van Friesland, tot lid van den Raad van State, tot lid der Admiraliteit van Amsterdam, tot lid der StatenGeneraal, tot Gedeputeerde te velde, tot gezant bij de Protestantsche Zwitsersche Cantons, bij den vredehandel te Aken enz. Steeds onderscheidde hij zich door groote bekwaamheid en belanglooze vaderlandsliefde.

Als een trouw vriend van het Huis van Oranje vond hij in Willem IV en zijne gemalin gunstrijke beschermers. Na hun dood echter ontzag zijn staatkundige vijand, de hertog van BrunswijkWolffenbüttel, voogd over den minderjarigen Willem V, zich niet, om den uitstekenden staatsman door de laaghartigste middelen te doen vallen. Hij wist zelfs de medewerking der ondankbare dochters van Onno Zwier te verkrijgen, om hem van poging tot bloedschande te beschuldigen. Dit gaf aanleiding tot een geruchtmakend procés, waarbij de magtige vijanden van van Haren zijne vrijspraak verhinderden. Later evenwel is door onpartijdiger hand dat weefsel van listen en lagen verscheurd, terwijl van Haren in den jongsten tijd een ijverigen en uitstekenden verdediger heeft gevonden in den hoogleeraar van Vloten.

Van Haren verwijderde zich uit ’s Hage en vestigde zich te Wolvega, waar hij de betrekking bekleedde van grietman van West-Stellingwerf. Ook hier werd hij door de haat zijner vijanden vervolgd. In 1769 zochten deze door middel van inbraak belangrijke papieren in handen te krijgen. Voorts ontstond den 20sten October 1776 in zijne woning plotselijk een hevige brand, die (behalve andere goederen) zijne kostbare boekerij vernietigde, en sommigen zijn niet vreemd van de gedachte, dat hem dit onheil desgelijks door zijn haters berokkend is, hoewel er meer waarschijnlijkheid bestaat voor de meening, dat achteloosheid van een der bedienden, die een pot met glimmende kolen op den vloer zijner studeerkamer had nedergezet, die ramp veroorzaakt heeft. In weerwil van zoo vele en zoo grievende slagen bewaarde van Haren zijne kalmte; hij overleed, nog voordat hij het herbouwde kasteel kon betrekken, op den 1sten September 1779.

Deze staatsman sprak met vaardigheid onderscheidene talen, en nog grooter was het aantal, hetwelk hij verstond zonder ze te spreken. Zijn lijkredenaar Simon Nauta zegt voorts van hem: „Als doorkneed staatsman, door Voorda en Fagel gevormd, was hij te gelijk een uitmuntend regtsgeleerde, wijsgeer, natuurkundige, en zelfs godgeleerde. Al deze wetenschappen beoefende hij met eene liefde, eene geestdrift, welke hij door gemeenzaam onderwijs zocht over te gieten bij zijne kinderen. Niettegenstaande de beschuldiging, op hem geworpen, droeg hij den roem wegens zuiverheid van zeden, eerlijkheid van bedoelingen en regtschapenheid van wandel met zich ten grave”.

Als dichter heeft van Haren onvergankelijken roem verworven door zijn voortreffelijk dichtstuk „De Geuzen (eerst onder den titel „Aan het Vaderland (1769); 2de druk 1771; 3de 1772; 4de 1776; 5de, door Bilderdijk bezorgd, 1785; 6de 1826; 7de 1830)”, waarin hij de heldendaden der vaderen in den strijd tegen Spanje verheerlijkt. Voorts schreef hij: „Aanspraak, gedaan als president van den Raad van State op den 29sten December 1746”, — „Van Japan, met betrekking tot de Hollandsche natie en de Christelijke godsdienst (1775)”, — „Lijkreden op wijlen zijne Hoogheid Willem IV (1766; 2de druk 1831)”, — „Zedige aanmerkingen over de veengraverijen in Friesland (1766)”, — „De Koophandel, lierzang (1769)", — „Agon, sultan van Bantam, treurspel (1769)”, — „Proeve op de levensbeschrijving van Nederlandsche doorluchtige mannen, behelzende het leven van Johannes Kamphuis (1772)”, — „Willem de Eerste, treurspel (1773 en 1779)”, — „Proeve van overzetting uit het Engelsch, Pope’s Essay on Man (1776)”, —„De komst van den Messias, lofzang (1776)”, — „De Herschijning, lierzang (1776)”, — „Verhandeling over de nationale of vaderlandsche gedichten (1778, in de werken van het Zeeuwsch Genootschap)”, — „De landbouw, lierzang (1777) ”, — „De inenting, lierzang (1777)”,— „Nieuwejaarsbrief aan mijn jongsten zoon (1778) ”, — „De vrijheid, lierzang (1778)”,— „Vaarwel van een ouden vader aan zijn zoon, varende op ’s Lands schip van oorlog de Argo, enz., lierzang (1778)”, — „De koopman (1778)”, — „De staatsman (1778(”, — „De schimmen, lierzang (1778)", — „Proeve van een nationale zedelijke leerreden (1779)”, — „Pietje en Agnietje of de Doos van Pandora, tooneelspel (1779)”, — „De offerande van Themistocles, lierzang van Pindarus”, — „Onbekend gedicht van een bekenden dichter (1835)”. Zijne dichterlijke werken zijn o. a. in 1854 tegelijk met die van zijn broeder uitgegeven onder den titel van: „Dichterlijke werken van Willem en Onno Zwier van Haren”, terwijl Prof. van Vloten heeft uitgegeven: „zeden en werken van W. en O. Z. van Haren, Deventer 1872—74. Het fraai geschilderd portret van O. Z. van Haren bevindt zich op het stadhuis te Aken naast die der overige afgevaardigden naar den vredehandel.

Duco van Haren, oudsten zoon van den voorgaande. Hij werd geboren te ’s Hage den 6den November 1747, bekleedde verschillende eervolle betrekkingen in Friesland, redde bij den schouwburgbrand te Amsterdam (1772) de eenige dochter van een aanzienlijk koopman, trad met haar in het huwelijk, en vestigde zich te Amsterdam, waar hij opvolger werd van zijn schoonvader in de handelszaak. Bij den inval der Pruissen in 1787 begaf hij zich naar het Bildt, waar hij het volgende jaar tot grietman gekozen werd, doch in 1795 moest hij de wijk nemen naar Duitschland. Door zijne hulpvaardigheid en door het bedrog van anderen van zijn vermogen beroofd, werd hij gouverneur van den jeugdigen prins van Saksen Weimar. Bij het omvallen van een postwagen viel een zware koffer op zijne borat, zoodat hij zijne verdere levensdagen kwijnend doorbragt, en in 1801 te Weimar overleed. Met zijn oudsten zoon Pieter Willem, lid der ridderschap van Friesland en later majoor in Engelsche dienst, is in 1850 het geslacht der van Harens in de mannelijke lijn uitgestorven.

Willem Anne van Haren, tweeden zoon van Onno Zwier. Hij werd geboren te ’s Hage den 24sten Augustus 1749, diende 15 jaar ter zee, en werd in 1779 grietman van West-Stellingwerf. In 1795 verloor hij die betrekking en nam de wijk buiten ’s lands, doch keerde in 1813 terug, werd lid der Provinciale Staten van Friesland, maakte zich verdienstelijk door zijne uitgebreide kennis van waterstaatszaken, en overleed op den huize Vogelzang onder Veenklooster den 22sten April 1835.

Jan Poppe Andrée van Haren, derden zoon van Onno Zwier. Hij werd geboren te Amsterdam den 25sten Februarij 1755, studeerde te Utrecht, was raadsheer in het Hof van Friesland, deed afstand van deze betrekking in 1795, verliet in 1802 het land, en overleed te Düsseldorf den 14den Maart 1818. Hij wordt zeer geroemd als een ijverig beoefenaar der geschiedenis.

Carel Willem van Haren, vierden zoon van Onno Zwier. Hij was geboren te ’s Hage den 17den Februarij 1758, werd ritmeester bij de garde-dragonders, en sneuvelde den 13den September 1793 bij den aftogt van den erfprins uit Meenen. — Zijn zoon Charles Frederik Sigismund was kamerheer bij prinses Wilhelmina van Pruissen en sneuvelde den 18den Junij 1815 bij Waterloo als luitenant en buitengewoon adjudant van den graaf van Bylandt.