Dood betekenis & definitie

’s Menschen levensduur, die niet kunstmatig verlengd, maar wel verkort kan worden, reikt gewoonlijk niet verder dan tot 70 of 80 jaren, en dan volgt veelal zonder voorafgaande ziekte, zonder blijkbare oorzaak, langzamerhand of plotselijk, bij volle bewustheid of in eene zachte sluimering, door verval van krachten de dood, namelijk de staking der stofwisseling en alzoo der werkzaamheid van de verschillende ligchaamsdeelen. Zulk een dood is de natuurlijke; elke andere vernietiging van het leven des ligchaams is onnatuurlijk en ontstaat door ziekte (eene afwijking in de stofwisseling) of op eene verkeerde, gewelddadige, van buiten af werkende wijze. Doorgaans ziet men bij het sterven — dat is bij het staken der stofwisseling —ééne van de voornaamste levensverrigtingen vroeger ophouden dan de overige, bij voorbeeld die van het hart, van de longen of van de hersenen.

De dood vertoont zich in die gevallen door flaauwte (syncope, opheffing der werkzaamheid van het hart), door verstikking (asphyxie, opheffing der werkzaamheid van de longen) of door beroerte (apoplexie, verlamming der hersenen). De verschijnselen, die den dood vergezellen en aankondigen, zijn zeer verschillend, en daarop berust de verscheidenheid der wijze van sterven. Deze toch kan eene langzame uitputting zijn, — zij kan een doodstrijd wezen, — zij kan een aanmerkelijken tijd vereischen, of zich ook als een plotselijke dood voordoen.

Tot de verschijnselen van den naderenden dood behoort de verlamming van het zenuw- en spierstelsel. Het verdwijnen van de spanning der spieren is oorzaak van het Hippocratisch gelaat, dat wil zeggen van het dof, ingezonken, halfgesloten oog, van den spitsen, smallen neus met ingezonken neusvleugels, van de slappe, gerimpelde wangen en van de puntige kin, — voorts van bevingen des ligchaams, zooals eene flaauwe, bevende spraak, — van eene langzame en moeijelijke ademhaling, eindelijk in gereutel overgaande, en van eene verlamming van den slokdarm, zoodat vloeibare stoffen met een borrelend geruisch in de maag vallen, en vaste spijzen blijven steken. De zamentrekkingen van het hart worden allengs flaauwer, de pols verdwijnt, koude verspreidt zich, soms vergezeld van een kil, kleverig zweet, van de ledematen naar den romp, het gezigts- en het gehoorzintuig weigeren de dienst, het bewustzijn, de ademhaling en de bloedsomloop nemen een einde, en het leven wijkt. Na den dood of na het ophouden der stofwisseling is ’s menschen ligchaam een lijk, en dit is onderworpen aan de bekende natuur- en scheikundige wetten der stof. Na den dood ontstaat diensvolgens verrotting, waarbij de organische bestanddeelen van ’s menschen ligchaam zich in anorganische — vooral in water, koolzuur en ammoniak — ontbinden. Deze dienen tot voeding van planten en dieren, zoodat van ’s menschen stoffelijk omkleedsel niets verloren gaat.

Tot de gewone kenmerken van een lijk behooren bleekheid, koude, eene eigenaardige lijklucht, verstijving en doodsvlekken. Toch is het zelfs bij deze weleens moeijelijk, enkel op het gezigt te bepalen, dat de dood werkelijk intrad. De meeste zekerheid geeft het beluisteren der hartbeweging; als de hartsgeluiden geheel hebben opgehouden, is het leven geweken. De waarschijnlijkheid van den dood blijkt voorts uit het gebroken oog, de ondoorschijnendheid der tegen het licht gehouden vingeren, de verwijde en voor het licht ongevoelige pupil, het wegblijven van bloed bij het openen van aderen en slagaderen en het pergamentachtig indroogen der van opperhuid beroofde huid na het inwrijven met bijtenden geest van salmiak, — doch onbetwistbare teekenen des doods zijn verrotting na de verstijving , vergezeld van eene blaauwachtig groene kleur, van eene blaarvormige opzwelling der huid en van een walgingwekkenden reuk, alsmede het wegvloeijen van kwalijkriekende stoffen uit mond en neus.

De dood maakt steeds een diepen indruk op het gemoed der levenden, doch die indruk is zeer verschillend naar gelang van den trap hunner ontwikkeling en van hunne denkbeelden over de natuur en de godsdienst. Volgens Homerus is de dood een tweelingbroeder van den slaap, — volgens Hesiodus zijn beide kinderen van den nacht. Ten gevolge der niet-schrikwekkende voorstellingen, welke de Ouden zich vormden van dood en graf, ontwaart men in hunne kunstgewrochten geen onderscheid tusschen den slaap en den dood; beide vertoonen zich aldaar in de gedaante van een bevalligen genius of van een gevleugeld en slapend kind, beide met een omgekeerden fakkel. Volgens een gevoelen, uit het Oosten afkomstig, worden de dooden voorgesteld als weggenomen van de aarde door de góden. Wie door den bliksem getroffen was, werd beschouwd als door Zeus (Jupiter), wie in het water omkwam, als door de Nymfen weggevoerd; wie des ochtends overleed, was door Bos, — wie des nachts het leven verloor, door Selene, — en wie als jongeling stierf, door Apollo aan de ondermaansche woonplaats ontrukt. Op oud-Romeinsche lijkkisten vindt men de schaking van Prosérpina voorgesteld en hierdoor symbolisch den dood. Zulke voorstellingen waren trouwens beter geschikt om de achterblijvenden te vertroosten dan de bespiegelingen der wijsgeeren en de schrikbeelden der latere dichters en kunstenaars.

Euripides voerde in den „Alcestes” den dood ten tooneele als een somberen, in het zwart gekleeden offerpriester met een mes in de hand, waarmede hij de stervenden het haar afsneed en hen alzoo wijdde aan de onderaardsche góden. Op Etruscische kunstwerken vertoont hij zich als een monster met zwarte vleugels en gewapend met een knods en eene weegschaal. Latere Romeinsche dichters ontwerpen van den dood een schrikwekkend beeld: hij is de hongerige, die met de tanden klappert en met bloedige nagels zijne slagtoffere aanwijst. De Israëlieten gewagen van een vreeselijken doods-engel, Samaël genaamd, dezelfde als de Duivel, die echter de vroegstervende vromen met een kus van de aarde wegneemt. Het Nieuwe Testament stelt den dood der vromen voor als een heengaan naar het huis des Vaders, naar den hemel der zaligheid. Dientengevolge is op het gebied der Christelijke kunst de vlinder, die uit zijne pop verrijst, het geliefkoosde zinnebeeld van den dood, hoewel deze ook nog wel wordt voorgesteld als een geraamte, met eene zeis gewapend.

Dood in juridische beteekenis. Tegenover den natuurlijken (zie aldaar) staat de burgerlijke dood. Hij is het einde der persoonlijkheid in juridischen zin. Met de geboorte, het begin van het leven, ontstaat de persoonlijkheid, dat is de bevoegdheid om regten te bezitten en te verkrijgen: met den dood houdt zij op. Evenals de dood het einde is van het bestaan der physieke personen, zoo is de opheffing of ontbinding de vernietiging der persoonlijkheid van de eigenlijk gezegde regtspersonen, zooals zedelijke ligchamen, vereenigingen, vennootschappen, stichtingen, enz.

Op het oogenblik van iemands dood valt zijne erfenis open en treden zijne erfgenamen geheel in zijne plaats. Zijn huwelijk wordt door den dood ontbonden: zijne kinderen worden op dat oogenblik weezen. Van dat oogenblik heeft de persoon opgehouden te bestaan: zijne bezittingen gaan op anderen over: hij kangeene regten meer uitoefenen, bezitten, noch verkrijgen. Het feit van den dood, en de tijd, waarop het heeft plaats gehad, worden geconstateerd in de registers van den burgerlijken stand. Bestaat er onzekerheid omtrent iemands bestaan, dan kan onder sommige voorwaarden en omstandigheden eene verklaring van zijn vermoedelijk overlijden door den regter worden uitgesproken, welke uitspraak op den duur gelijke gevolgen teweegbrengt als de werkelijk bewezen dood.

Laatst bijgewerkt 06-08-2018