Brug betekenis & definitie

Zoo noemt men eene ver­binding van 2 punten, die door eene rivier, een kanaal, eene kloof, een spoorweg enz. gescheiden zijn, en wél met het doel, om bij die verbin­ding eene vrije ruimte onder de brug te behouden. Men heeft vaste en beweeg­bare bruggen.

Tot de be­weegbare behooren de klap-. wip-, rol-, draai-, schip- en ponton-bruggen, alsmede de gier­bruggen. Wij bepalen ons in de eerste plaats bij de vaste bruggen.

Bij het bouwen van deze komt vooral de sterkte in aanmerking, welke geëvenredigd moet wezen aan de zwaarste lasten, die de brug bestemd is te torschen. Bij ge­wone bruggen voor menschen en door paar­den getrokkene rijtuigen rekent men op een gewigt van 4 of 5 menschen, elk van 65 Ned. pond, op de □ Ned. el, en hiernaar wordt de weêrstandbiedende kracht der steunpunten be­paald. Voor spoorwegbruggen, die den last van zware treintrekkers moeten dragen, dient die kracht natuurlijk zeer veel grooter te wezen. Behoeft de brug niet langer te zijn dan 8 Ned.el, zoo ge­bruikt men als lig­gers zware balken van iets meer dan die lengte, welke men met de uiteinden op landhoofden laat rusten.

Over de uiteinden legt men aan weerszijden stootbalken, half in die uiteinden ingelaten, en tusschen de twee stootbalken komt, dwars over de liggers, het eiken dek te liggen, dat ter bewaring met eene zachtere houtsoort wordt bekleed. Men geeft aan zulk een dek een tonronden vorm voor de afwatering. De landhoofden bestaan uit inge­heide, vóór en achter beschoeide palen, door een sloof of hoofdbalk verbonden, en zijn door­gaans aan weerszijden van vleugels voorzien, die er een stompen hoek mede maken en met an­kers of stangen in den grond bevestigd zijn. Steenen landhoofden verdienen echter de voor­keur wegens hunne duurzaamheid; zij worden opgetrokken op eene dubbele rij ingeheide palen, en men voorziet ze desgelijks van vleugelmuren.

Moet de brug langer wezen dan 8 Ned. el, dan ondersteunt men de liggers tusschen de landhoofden met één of meer daaraan evenwijdige jukken of in den grond geheide pa­len, die door eene sloof of horizon­talen dwarsbalk verbonden zijn, waarop de lig­gers komen te rusten. Bij aan­merkelijke diepte is men wel eens genoodzaakt, twee zulke juk­ken boven elkander te plaatsen. Men kan ook eene meer aanmerkelijke wijdte tusschen de jukken behouden, wanneer men schoren aan­brengt, die op eenigen afstand bene­den de brugliggers van de jukken uitgaan, met een hoek van ongeveer 60° naar de liggers oploopen en met deze door klossen of balken verbon­den zijn, zooals wij in fig. 1 opmerken, waar echter de houten jukken door steenen pijlers zijn vervangen. Houten jukken met aanmerkelijken afstand zien wij in fig. 2, waar de draagkracht der aanmerkelijk vermeerderd is door het aan­brengen eener schoorverbinding boven de brug, waaraan men den naam van hangwerk geeft. Op laatstgenoemde wijze bouwt men ook de hangboogbruggen, waarbij de brug, uit greenen deelen zamengesteld, zich boven de liggers ver­heft en met deze door verticale houtstijlen — en wel door middel van doorgaande ijzeren schroefbouten — ver­bonden is.

Zulk eene brug aanschouwen wij in fig. 3, en men heeft er in ons Vaderland op den Hollandschen spoorweg met eene ope­ning van 17 Ned.el. De brug over de IJssel te Kam­pen — eene gewone jukboogbrug —, die 216 Ned. el lang is, heeft 8 openingen, van welke de grootste eene wijdte heeft van 31 Ned. el; zij rust op steenen landhoofden en 8 jukken. Eene andere soort van soort van boogbrug, die wij schoor-boogbrug kunnen noemen, zien wij in fig. 4. Hier zijn de schoren van fig. 1 vervangen door een boog, die zich van den eenen pijler tot den anderen uitstrekt en door houtstijlen met den brugligger verbonden is. De draagkracht der liggers wordt aanmerkelijk verhoogd, wanneer men — volgens het systeem van Laves, een Hannoversch ingenieur — de uit­einden van de daartoe bestemde balken in ijzeren banden slaat, en die balken daarna door midden splijt, zoodat hunne oppervlakten onder en boven flaauwe tegenovergestelde bogen vormen (zie Balk).

Hoogst merkwaardig is het stelsel van brug­genbouw met vaMen, hetwelk in Amerika door Long en Howe is uitgevonden en in toe­passing gebragt. Wij zien eene brug, naar dit stelsel gebouwd, voorgesteld in fig. 5. Zij heeft een hangwerk van regtstandige en schuins geplaatste houtstijlen, die alle door schroefbouten onderling verbonden zijn, zoo dat zij elkander schragen en hierdoor eene aanmerkelijke draagkracht opleveren. Dit stel­sel bragt vervolgens de tralie-bruggen in zwang; waarbij, zooals wij in fig. 6 opmerken, de ver­meerderde verbinding nog aanzienlijker draag­kracht oplevert. Daar zij om die reden uit­stekend passen voor spoorwegbruggen, heeft men er reeds voorlang in Amerika en elders

gebouwd, en ook in ons Vaderland heeft men er bij Zwolle, Zutphen, Bommel, Kuilenburg enz. Deze laatste heeft de grootste bekende spanning, namelijk van 150 Ned. el.

De steenen bruggen zijn alle boogvormig, hoewel er in de gedaante der bogen eene groote verscheidenheid bestaat. Men heeft er met cirkelbogen, elliptische bogen, spitsbo­gen enz. Hierbij is het leggen der grondsla­gen of steunpunten der bogen eene zaak van het grootste belang. Eene merkwaar­dige steenen brug van 4 verdiepingen (fig. 7) ligt over het Göltzschthal in Saksen. Zij is 579 Ned. el lang en bijna 78 Ned. el hoog.

Houten en steenen bruggen zijn zeer oud, maar in de 2de helft der voorgaande eeuw is de eerste ijzeren brug gebouwd door Wilkinson en Darley over de Severn in Shropshire bij Shrewsbury. Men heeft ijzeren boogbruggen, kettingbruggen, traliebruggen en kokerbruggen. Eene merkwaardige ijzeren boogbrug is die van Southwark over de Theems te Londen met 3 openingen, waarvan de middelste eene wijdte heeft van ruim 73 Ned. el. Later heeft men de massieve ijzeren staven enz. hol gemaakt, en het stelsel van Laves is ook op de ijzeren bruggen toegepast. Eene fraaije ijzeren boogbrug, van plaatijzer gebouwd, is de Arcóle-brug te Parijs (fig. 8).

Zij heeft eene spanning van 80 Ned. el. De ijzeren hang- of kettingbruggen zijn het eerst in Amerika in zwang gekomen en later in Europa ingevoerd. Zij bestaan uit een houten dek, aan een kabel van ijzerdraad opgehangen, waarvan de uit­einden op de beide oevers bevestigd zijn. Aan de ketting, die in het midden het laagst hangt, zijn ijzeren hangers van verschillende lengte vastgemaakt, die de brugliggers torschen.

Eene fraaije hangbrug heeft men bij Freiburg in Zwitserland over het dal der Sarine; zij is 266 Ned. el lang, verheft zich 50 Ned. el boven den dalbodem en hangt aan 4 kabels. De steunpijlers, ter hoogte van 20 Ned. el, vormen poorten in Dorischen stijl,en de hieroverheen loopende draagkettingen loopen aan weerszijden nog 53 Ned. el verder en zijn aldaar in den grond bevestigd. De lengte der hangers bedraagt van 16,60 tot 0,18 Ned. el.

Tot de belangrijke hangbruggen behoort vooral ook die over de Menai-straat (fig. 9), slechts 20 minuten gaans van de Britannia-brug ver­wijderd. Zij heeft eene spanning ter lengte van 186 Ned. el. Ook is er eene kettingbrug gelegd over de Niagara met eene lengte van 185 Ned. el. Eene andere Amerikaansche hangbrug, welke thans (1871) nog niet voltooid is, namelijk die tusschen New-York en Brooklyn, zal eene lengte hebben van ruim 518 Ned. el. Ook tusschen Pesth en Ofen is eene kettingbrug over de Donau gespannen. Eene beroemde ijzeren kokerbrug is de door Stephenson gebouwde Britannia-brug over de Menai-straat (fig. 10).

Men vindt daaromtrent bijzonderheden onder het woord Britannia-brug. Tot de merkwaardige ijzeren traliebruggen behooren de brug over de Weichsel bij Dirschau (fig. 11), de brug over de Rijn bij Keulen en die bij Kehl, niet ver van Straats­burg, welke, in den jongsten oorlog verwoest, weldra hersteld zal wezen enz. Zulk eene brug met ijzeren pijlers is de Crumlin-viaduct (fig. 12) in Engeland, alsmede die over het Sitterthal in Zwitserland. In ons Vaderland is eene reus­achtig ijzeren brug — schoon geene van hare spanningen die der brug bij Kuilenburg even­aart —, op stroompijlers rustende, over het Hollandsch Diep bij de Moerdijk gelegd en den 1sten Januarij 1872 voor het spoorwegverkeer geopend. Dit laatste eischt desgelijks nog bruggen over de Maas bij Rotterdam en over het IJ bij Amsterdam.

Waar schepen met staande masten hun weg zoeken langs de rivier of waar vestingen be­waard moeten worden, kan men in den regel geene vaste bruggen gebruiken, en men bouwt er beweegbare. Hiertoe behooren de klap- of ophaalbruggen, uit één of twee kleppen of val­len bestaande, die om horizontale assen beweeg­baar zijn en in het eerste geval op het tegenover­ liggend landhoofd, in het tweede tegen elkander steunen. Het ophalen van die vallen of kleppen geschiedt door middel eener balans, die op een hoog hameigebint rust. De vooreinden der klepliggers zijn door den kettingbalk vereenigd en het achter- of broek-einde der balans moet bij al­le standen der klep of val met deze in evenwigt wezen. Men heeft bij de doksluis aan het Nieuwe Diep eene dubbele ophaalbrug met eene doorvaartruimte van 16 Ned. el.— Bij wipbruggen ligt het tegenwigt der brug met deze in hetzelfde vlak en daalt bij het opendraaijen af in een waterdigten kelder. Eene dubbele wipbrug met eene doorvaartwijdte van 13 Ned. el ligt over de Scheepmakershaven te Rotterdam. — Draai­bruggen, van hout of van ijzer gebouwd, dub­bele of enkele, bewegen zich om eene hori­zontale spil. Zij staan in evenwigt op een kring van raderen (rolring) en kunnen zonder groote moeite opengedraaid worden.

Men heeft er over het Noord-Hollandsche Kanaal met eene doorvaartwijdte van 16 Ned. el, op den Rijnspoorweg met eene opening van 8 Ned. el, enz. Rolbruggen bestaan uit een op rollen rustend horizontaal vlak, hetwelk men achteruit halen kan. Men heeft er eenige op den Hollandschen spoorweg. — Hefrolbruggen zijn zóó ingerigt, dat men de brug aan het ééne einde door hefboomen moet opligten, om ze vervolgens weg te halen. — Vlotbruggen bestaan uit 2 groote kleppen, aan weerszijden aan de landhoofden be­vestigd en met de voorste uiteinden rustende op een vlot, hetwelk verwijderd kan worden door het onder een dier kleppen te halen. Zij zijn door den inspecteur-generaal Blanken gebouwd over het Noord-Hollandsche Kanaal en het Zederik-kanaal. Zulke bruggen voegen zich naar de hoogte van den waterspiegel en zijn bij den aanleg niet duur, ’t geen men van het onder­houd niet verzekeren kan. — Schipbruggen be­staan uit eene reeks van platboomde vaar­tuigen, doorgaans 16 Ned. el lang, 4 Ned. el breed en 1 Ned. el diep, welke omstreeks 6 Ned. el van elkaar in eene rivier voor ankers worden gelegd en wel met de lengte in de rigting van den stroom. Over deze schepen of over bokken, welke op die vaartuigen rus­ten, is een vloer gelegd, die de brug vormt. Nabij den oever heeft men vaste bruggen, welke door middel van kleppen met de eigen­lijke schipbrug verbonden zijn en voldoende lengte hebben, om bij veranderden waterstand de helling niet te groot te maken. Ligt het vaarwater digt bij den oever, dan wordt in één der vaste hoofden eene ophaalbrug ge­bouwd,— ligt het in het midden der rivier, dan is de brug zóó ingerigt, dat men er eenige schepen uit wegnemen kan, zooals in de schip­brug over de Lek bij Vianen.

Eene schipbrug over de Rijn bij Maxau dient zelfs tot spoor­wegbrug. Zij rust op 34 pontons en heeft eene lengte van bijna 363 Ned. el. — Eene gierbrug vormt geene onafgebrokene verbinding der beide oevers, maar bestaat uit twee vaartui­gen, waarover een vloer is gelegd; die vaar­tuigen zijn aan de in de rivier verankerde gierketting stevig bevestigd, en door middel van het roer kan men die vaartuigen zoo­danig met den stroom in aanraking brengen, dat zij van den eenen oever naar den ande­ren worden gestuwd. Men heeft er eene te Nijmegen; de rivier is er 383 Ned. el breed. Aan de zijde van Nijmegen heeft men een hoofd ter lengte van 7 en aan de overzijde eene schipbrug ter lengte van 186 Ned. el. Tusschen die beide punten volbrengt de gierbrug den togt in 3 minuten.

Ook de ponten, hoewel geene bruggen, mogen wij hier niet met stilzwijgen voorbij­gaan. Men heeft gierponten, die, wat de wijze van overvaart betreft, met de gierbruggen overeenkomen, en gewone ponten, wier ka­bels aan de beide oevers eener rivier beves­tigd zijn, zoodat de pont — een logge, ruime bak, die menschen, paarden en rijtuigen be­vatten kan — daar langs wordt overgetrok­ken. Het groot aantal ponten, dat te voren in ons Vaderland bestond, heeft meerendeels voor bruggen plaats gemaakt, bijv. aan de Oude Schouw in Friesland en over de Lek bij Vianen.

Merkwaardig is vooral de wijze, waarop men, bij het bouwen van bruggen, stroompijlers in de rivieren heeft geplaatst, — vooral daar, waar de losse slib- of zandgrond het leggen van een deugdelijk fondament moeije­lijk maakte. Men heeft daarbij hout, steen of ijzer als bouwstof gebruikt. Aanvankelijk werden palen in den bodem geheid, op den waterspiegel afgezaagd en dan tot grondslag genomen voor het metselwerk. Later heeft men kistdammen gelegd om de plek, waar men een steunsel voor de brug wilde doen verrijzen, waarna men het water er weg­pompte en de drooge plaats tot op een ge­noegzaam vasten bodem uitbaggerde, waar men begon te metselen. Nog later bragt men eenvoudig luchtdigte kisten (caissons) op het water boven de bedoelde plek en men liet ze zinken door er op te metselen. Een 40-tal jaren geleden begon men ijzeren cylinders tot fondamenten te gebruiken, doch dit geschiedt sedert 1861 op eene zeer vernuftige wijze, welke ook bij het bouwen der stroompijlers in het Hollandsche Diep in toepassing is gebragt.

De luchtdigte ijzeren cylinders worden met lucht volgepompt tot eene drukking van 3 atmospheren. Zij zijn van onderen open en rusten op den bodem der rivier. Door eene soort van sluiswerk met luchtdigte deuren boven in de cylinders dalen de arbeiders er in af, en kunnen nu daar binnen de aarde weghalen, zoodat de cylinders allengs die­per — en alzoo tot genoegzame diepte — zinken, terwijl de zamengeperste lucht het binnendringen van het water belet zonder de werklieden te hinderen. Later worden zulke cylinders volgestort met beton. — Men heeft ook stroompijlers geplaatst door eenvoudig te metselen op een ijzeren ring en zulk een put in de rivier te laten zinken. Werd zulk een put nu van binnen uitgebaggerd, dan zonk hij allengs dieper tot op den vasten bodem.

Om den overtogt van troepen over rivie­ren te bevorderen, heeft men bij het leger een corps pontonniers, die in betrekkelijk korten tijd een vloer leggen over jukken, over pontons of desnoods over ledige vaten.

Laatst bijgewerkt 19-03-2018