Rivier betekenis & definitie

Rivier is de naam van een aanzienlijk stroomend water, dat door de vereeniging van onderscheidene beken ontstaat en zelf zich een weg baant naar eene andere rivier, naar een meer of naar zee, of zich ook wel eens in barre zandvlakten verliest. De rivieren ontspringen gewoonlijk uit bronnen, somtijds ook uit meren. De bronnen bevinden zich overal, waar het water des dampkrings zich verdigten en verzamelen kan.

Eene bron, wier wateren volgens de wet der zwaarte voorwaarts vloeijen, draagt den naam van beek. Bronnen, beken en rivieren (groote rivieren noemt men ook wel stroomen) heet men stroomende wateren, terwijl vijvers, poelen en meren gewoonlijk tot de stilstaande behooren. Doorgaans dragen de rivieren haren naam van den mond tot aan de meest verwijderde bron; doch het is dikwijls twijfelachtig, of men eene hooger gelegen rivier als eene voortzetting der hoofdrivier of als eene zijrivier beschouwen moet.

De Inn bijv., welke bij Passau zich uitstort in de Donau, heeft hier een langeren loop en een grooteren waterschat dan de Donau zelve, maar verliest toch haren naam. Iets dergelijks merkt men op bij de Moldau en de Elbe, bij de Warthe en de Oder, bij de Missouri en de Mississippi enz. Waar twee ongeveer even lange rivieren zich onder een scherpen hoek vereenigen, ontvangen zij gewoonlijk voor haar gemeenschappelijken loop een anderen naam, zooals de Werra en de Fulda (Weser), de Maas en de Waal (Merwede) enz.

Hoewel voorts de zijrivieren eene dergelijke rigting volgen als de hoofdrivier, vinden wij ook hierop uitzonderingen, zooals de Rhône bij Lyon, die er den zuidelijken loop der Saône aanneemt. Op den regter en linker oever — men heeft die beide, stroomafwaarts ziende, aan de regter en linkerhand — ontvangt eene rivier zijrivieren, en het gewest, welks wateren door beken en zijrivieren naar de hoofdrivier vloeijen, draagt den naam van stroomgebied. Het gedeelte, waar de bronnen gelegen zijn, heet men brongewest en dit is uit den aard der zaak het hoogst gelegene.

Het eene stroomgebied is van het andere gescheiden door eene waterscheiding. Deze is somtijds eene hooge bergketen, somtijds eene rij heuvels, en ook wel eene geringe verheffing van den bodem eener vlakte. In het laatste geval ontmoet men er plekken, waar men ligte vaartuigen dragende van het eene stroomgebied op het andere kan overbrengen , draagplaatsen genoemd.

Ook heeft men wel eens eene gaffelverdeeling (bifurcatie), wanneer eene rivier digt langs hare waterscheiding stroomt, zoodat op eene daarvoor geschikte plek een gedeelte van haar water zich naar het naburig stroomgebied begeeft. De vermaardste bifurcatie is die der Orinoco, welke bij Esmeralda een arm ter lengte van 450 Ned. mijl (de Cassiquiare) uitzendt naar de Rio Negro en door deze naar de Amazonenrivier.

De beroemde geograaf Ritter onderscheidt ontwikkelde en onontwikkelde, oceaan en vastelandsrivieren. De onontwikkelde zjjn kustrivieren, welke in het kustgebergte ontspringen en na een korten loop zich uitstorten in zee, — en de laatste steppenrivieren, die gedurende haren loop wel een riviernet vormen, maar zich in waterkommen van het vaste land uitstorten, waar het water verdampt of in den bodem wegsijpelt.

Bij de ontwikkelde oceaan-rivieren onderscheidt men den bovenloop in de bergstreek, waar het water met een aanzienlijk verval door rotskloven bruist, — den middenloop, waar de rivier met meer kalmte door heuvelachtige gewesten kronkelt, — en den benedenloop, waar zij weinig hooger ligt dan de oppervlakte der zee en veelal met gedurige vertakkingen den tragen loop door de vlakte voortzet naar haren mond.

De omwenteling der Aarde heeft een merkwaardigen invloed op de oevers van vele groote rivieren, zooals het eerst door von Baer bij de Russische rivieren is aangewezen, — bepaaldelijk op de oevers van die, welke de rigting volgen van den meridiaan. Immers de wateren, van lagere breedten komende en op ons halfrond noordwaarts vloeijend, hebben eene snellere omwenteling dan de landen, werwaarts zij zich begeven; zij dringen derhalve tegen de oostelijke oevers en geven aan deze door afkabbeling meer steilte.

Bij zuidwaarts stroomende rivieren ziet men het omgekeerde verschijnsel, — en op het zuidelijk halfrond ontwaart men juist tegenovergestelde omstandigheden.

De hoeveelheid water eener rivier is afhankelijk van den omvang van haar bronnengebied, van de doorsnede van hare bedding, van de uitgebreidheid van haar stroomgebied, van de regenhoeveelheid op dit laatste, van het klimaat en van de grondgesteldheid. De waterstand der rivieren is derhalve zeer veranderlijk. Liggen de bronnen eener rivier in het gewest der periodieke regens, dan ontwaart men een regelmatig klimmen en dalen van den waterspiegel, zooals: bij de Nijl, de Senegal, de Zaïre, de Ganges, de Bramahpoetra, de Orinoco enz. Ontspringt zij boven de sneeuwlijn, dan voert zij het meeste water af, wanneer de sneeuw en het gletscherijs beginnen te smelten. De hoogte der rivieren wordt gemeten met het peil of een loodregten standaard met een willekeurig, laag gelegen nulpunt en met eene verdeeling in de gebruikelijke lengte maat.

De snelheid eener rivier is meerendeels afhankelijk van haar verval van water, doch ook van de wrijving of schuring der watermassa langs de bedding en alzoo van de gesteldheid van deze laatste. Bij een onveranderd verval neemt de snelheid van den stroom toe met de breedte en diepte van het water. De grootste snelheid vindt men alzoo bij den bovenloop; inzonderheid bij vernaauwing der rivierbedding (stroomversnelling), terwijl de snelheid afneemt bij eene meervormige uitzetting der rivier.

De grootste snelheid op eene rivier heeft men daar, waar zij de meeste diepte bezit, terwijl men ze naar beide zijden tot aan de oevers regelmatig ziet afnemen. Tot het meten dier snelheid bezigt men den rheometer. Bevaarbare rivieren hebben doorgaans eene gemiddelde snelheid van 63—125 Ned. duim, doch ook wel van 1,25—3 Ned. el in de seconde.

De kracht van het water openbaart zich vooral in de bergstroomen, die niet alleen kleine gerolde steenen, maar zelfs groote rotsklompen medesleuren. Hoe meer de rivier bezwangerd is met vaste deelen, des te grooter zal hare wrijving en des te geringer hare snelheid zijn. Rivieren, die door veenen kronkelen, doorloopen soms niet meer dan ½ Ned. mijl in een etmaal, en ook bij vulcanische slijkstroomen ontwaart men eene langzame beweging.

Hoe sneller echter eene rivier zich voortspoedt, des te dieper zal zij door erosie (afknaging) insnijden in den bodem, vooral waar zij door de verweering geholpen wordt.

Woeste bergstroomen graven wel eens binnen weinige uren eene bedding ter diepte van 9—30 Ned. el. Waar de bedding loodregt of nagenoeg loodregt daalt, vormt de rivier een waterval. Deze vindt men gewoonlijk in den bovenloop, doch ook wel in den middenloop. Een reusachtige waterval is die van de Niagara in Noord-Amerika. Komt een waterval terrasgewijs naar beneden, zoo geeft men daaraan den naam van cascade, terwijl lage, op elkander volgende watervallen ook wel cataracten worden genoemd.

Eene stroomversnelling is een verlengde waterval. De rivieren voeren gerolde steenen, slib enz. mede, doch zij laten dit alles langzamerhand zinken, naar gelang hare snelheid vermindert, weshalve de rivierbeddingen allengs hooger worden, — vooral op die plaatsen, waar men hare wateren door dammen en dijken tusschen de oevers houdt. Bij haren mond laat zij gewoonlijk slechts zand en slib zinken, waardoor delta's (zie aldaar) gevormd worden. Dikwijls ook behouden groote rivieren een breeden mond, omdat de beweging van eb en vloed er het bezinken van zand en slib verhinderen. Zulke monden noemt men ook wel aestuariën en negatieve delta’s.

Eindelijk heeft men ook verdwijnende rivieren, namelijk zoodanige, die over eenigen afstand een weg vinden door onderaardsche holen, om daarna weder aan het daglicht te treden. Daartoe behoort in Amerika de Cost-River in Orange-County in Indiana, en in Europa de Rhône, die zich bij la Perte du Rhône in eene rots-opening stort en door een onderaardsch kanaal vloeit, hetwelk eene lengte heeft van ongeveer 50 schreden.

Het rivierwater bevat in den regel niet zooveel scheikundige, maar meer mechanische bestanddeelen dan het bronwater; het is dan ook gewoonlijk zachter. Intusschen vindt men op het stroomgebied van sommige rivieren zoutbevattende beken, bijv. in het zuiden van Rusland en in Azië, ook wel zoodanige, waarin men zwavel- en zoutzuur aantreft, zooals: de Rio Vinagre bij Popayan, of omkorstenden kalk of petróleum. Het water der groote rivieren verschilt voor ’t overige weinig van dat der zoetwatermeren en bronnen. Daarentegen bevat het vele drijvende deeltjes, welke de Alpenrivieren troebel maken , zoodat deze eerst helder worden, wanneer zij op haren weg in een meer die vreemde stoffen hebben laten zinken.

Vaak is ook de kleur van het water afhankelijk van die bijmengselen. Dat water is het zuiverst, hetwelk afdaalt van oorspronkelijke gebergten, alwaar zich geene gletschers bevinden; het heeft dan ook eene heldere, groen- of blaauwachtige kleur. Zoo vertoonen zich de rivieren, welke in de Kalk-Alpen ontspringen. Ook de Isar, de Lech en de Iller zwieren met eene blaauwgroene kleur langs hare witte kiezelbedding. De Salzach is geel en roomkleurig, terwijl de Traun, de Berchtesgader Aller, de Mangfall enz., die in de Alpenmeren een reinigend bad hebben genomen, zich door eene smaragdgroene kleur onderscheiden. Het water in het meer van Genève is blaauw, — dat in de meren van Zürich en Constanz groen. De Tarn en eenige andere riviertjes in het zuiden van Frankrijk zijn eenigzins rood, en de Rio Branco in Amerika heeft eene witte kleur.