Brug
v. (-gen), 1. beweegbare of vaste verbinding voor het verkeer tussen twee punten, die door een water of ook door een droge aardverdieping gescheiden zijn: een vaste brug; een stenen brug; een brug met bogen; — vgl. draai-, ophaal-, wip-, gier-, rol-, pontonbrug enz. ; ― de hoofden, jukken, pijlers, bogen, openingen, spanningen ener brug; &mda...