Argentijnsche republiek betekenis & definitie

Argentijnsche republiek (Confederacion Argentina, voorheen Provincias unidas del Rio de la Plata). Deze vormt een Zuid-Amerikaanschen Statenbond, die uit de zuidelijke gewesten van het voormalige Spaansche onderkoningrijk Buénos Ayres of Rio de la Plata is ontstaan. Het gebied der Republiek ligt tusschen 19 en 41° Z. B. en 59 en 72º W.L. Het grenst ten oosten aan den Atlantischen Oceaan, aan Uraguay, Brazilië en Paraguay, ten noorden aan Bolivia, ten westen aan Chili, en ten zuiden, waar de grenzen niet met juistheid zijn afgebakend, aan Patagonië. Het heeft (zonder Gran Chaco met 6667 en de zuidelijke Pampasvlakte met 8967 □ geogr. mijlen) eene oppervlakte van 25500 □ geogr. mijlen en telt (in 1868) in zijne 14 provinciën ruim 1800000 inwoners.

Het westelijk gedeelte des lands is bergachtig; hier vormen de Cordilleras de grenzen naar de zijde van Chili en dragen hooge toppen,met eeuwige sneeuw, zooals den Tupungato, een uitgedoofden vulkaan, die zich boven de andere reuzengevaarten verheft en eene hoogte bezit van 6500 Ned. el. De Andes verdeelen er zich in twee ketens, en de westelijkste van deze draagt den naam van Siërra de los Punquenos. Ruwe bergpassen, verbinden er ter hoogte van 4000 Ned. el de la Plata-Staten met Chili, zooals die van Uspallata, die met vlugthuisjes voor de reizigers is voorzien,— voorts de Portillo-en de Planchonpas, die beide meer zuidwaarts gelegen zijn. Ten oosten der Andesketen strekken eenige gebergten zich in het binnenland uit, zooals de Sièrra de Palcipa, de Siërra de San Luis, en de Siërra de Cordova, welke laatste, 1000 Ned. el hoog, als het oostelijkste voorgebergte der Andes kan worden beschouwd.

Het oostelijk gedeelte der Argentijnsche republiek bestaat uit onafzienbare vlakten of pampas, wier effenheid toeneemt naar de zijde van den Atlantischen Oceaan. Zij zijn gelegen tusschen dezen Oceaan, de Rio-Dolce en de Rio Colorado en bezitten eene lengte van 300 en eene breedte van 180 uren gaans. In die steppen heerscht in het algemeen gebrek aan water. Gedeeltelijk zijn zij begroeid met klaver en distelen, welke 2 tot 3 Ned. el hoog worden en in den zomer een ondoordringbaar woud vormen; op andere plaatsen groeit er gras. Sommige gedeelten, bepaaldelijk die, welke zich ten oosten van de Parana uitstrekken, zijn zeer vruchtbaar. De voornaamste rivieren zijn er de Parana, de Paraguay, de Uruguay en de la Plata met hare zijrivieren. De Colorado (Desaguadéro), de grensrivier tusschen San Luis en Mendoza, stroomt door het zoute meer Berberero, voorts in eene zuidoostelijke rigting door de zuidelijke Pampas en stort zich uit in den Atlantischen Oceaan. De Rio Negro is er in het zuiden de grootste rivier. Andere rivieren, die op de Andes ontspringen, verliezen er zich in meren, zooals de Rio Dolce, de Rio Primero, de Rio Segundo en de Rio Tercero. De Rio Quarto en Rio Quinto bereiken alleen in den regentijd de Saladillo. Ten oosten van Corrièntes strekt een moerassig meer — de IJbera(Ipuzu) — zich uit met eene oppervlakte van 60 □ geogr. mijlen.

Het klimaat is in deze groote landstreek verschillend, maar in het algemeen zeer gezond. In het noordelijk gedeelte heerscht het keerkringsklimaat; de regentijd duurt er van November tot April of Mei. In het westen heerscht er groote droogte. In het oosten, in de omstreken van Buénos Ayres, valt in Julij, Augustus en September de meeste regen, en men onderscheidt er reeds 4 jaargetijden. Het sneeuwt er zelden, en als het er drie of vier dagen aaneen vriest, dan noemt men er den winter gestreng. De winden waaijen er soms geweldig; de zuidoostewinden brengen er in den winter steeds regen, en zij doen er in den zomer stofwolken oprijzen, die het licht der zon verduisteren. De pamperos of westewinden, die van de Andes komen en over de pampas snellen, vertoonen zich vaak als vreeselijke orkanen, maar zij hebben een gunstigen invloed op de gezondheid, daar zij den dampkring afkoelen en de vochtigheid wegnemen. Daardoor is er de temperatuur aan belangrijke afwisselingen onderworpen.

Het dierenrijk telt er groote hoeveelheden rundvee en paarden, die in de pampas hun voedsel zoeken, voorts muildieren en andere Europésche tamme dieren, wild en roofdieren, tapirs, biscachas, armadillen, guanacos, vicugnas en lamas, allerlei vogels, zooals zwanen, patrijzen en struisvogels, bijen, mieren en veel visch. Het plantenrijk levert er Europésche granen en groenten, aardappels, meloenen, vlas, hennep, bataten, ooft, perziken, zuidelijke vruchten, olijven, druiven, indigo, tabak, katoen enz. Hier en daar vindt men groote bosschen, maar in de pampas ten zuiden van de La Plata is, met uitzondering van perzikboomen, boom noch struik te vinden. Het rijk der delfstoffen bevat er eenig goud en zilver, voorts koper, lood, salpeter, keukenzout, — dit laatste in groote hoeveelheid.

De bevolking bestaat er uit Blanken, die meest van Spaansche afkomst zijn, Kreolen, Mestiezen, Mulatten, eenige Negers en uit Indianen, die gedeeltelijk eenigzins beschaafd en tot het Christendom bekeerd, gedeeltelijk ruw en onafhankelijk zijn. Deze laatsten, ten getale van 100000 vooral over de pampas verspreid, vallen wel eens roofgierig in de vreedzame districten. De Gauchos (zie onder dit woord), telgen van Spanjaarden en Indiaansche vrouwen, leven als herders in de uitgestrekte vlakten. Tot de Indiaansche stammen behooren er de Sanquelches, de Payaguas, de Nalicungas, de Pitilagas, de Machicuys. de Guenturen, de Guaraniërs, die zich tot in Patagonië uitstrekken, de Tobas, de Guanas met de Ethelenas en Equiniquinas aan de Paraguay enz. De landbouw bloeit er minder sterk dan de tuinbouw, en de veldvruchten hebben er van insecten en regenvlagen veel te lijden. Vooral worden er tarwe en gerst verbouwd, — voorts maïs, rijst en Spaansche peper. Men verzamelt er vooral ooft in de provinciën Mendoza, San Juan en Rioja, waar men tevens de beste wijngaarden vindt. In Catamarca, Salta en Corrièntes oogst men vooral katoen, in Tucuman en Corrièntes tabak, in Corrièntes koffij en suiker, in Tucuman bataten en maniok. De veeteelt houdt er velen bezig; er zijn grondeigenaars (estanciéros), die hun vee tellen bij duizende stuks. De kudden verkeeren er het geheele jaar onder den blooten hemel. De paarden zijn er niet fraai maar zeer talrijk, zoodat sommige grondbezitters er 6000 hebben en zelfs de bedelaar er een paard houdt. Ook fokt men er muildieren, en in de noordelijke provinciën houdt men schapen.

De mijnontginning is er door de omwentelingen in verval geraakt , en de mijnen liggen er ook in onherbergzame streken, waar gebrek aan water heerscht. Daarenboven zijn de inboorlingen te traag voor de mijnontginning, en vreemde werklieden gewennen zich niet gemakkelijk aan het ruwe bergklimaat. Ook geeft de staatkundige toestand des lands geene voldoende waarborgen voor de veiligheid. Evenwel werkt men er in de goud- en zilvermijnen van Famatina, Uspallata en Jacsa. Zout, salpeter, aluin en glauberzout verkrijgt men in de vlakten. De nijverheid verkeert er nog in hare kindsheid. In Cordova heeft men kalkbranderijen en sodafabrieken en men vervaardigt er de beste ponchos. In Corrièntes zijn looijerijen, en in Mendoza, San Juan en Rioja brandewijnfabrieken. Ook bereidt men er tabak en suiker. De handel is er in de laatste jaren aanmerkelijk toegenomen; Buénos Ayres is er de stapelplaats voor alle gewesten. Vooral Engelsche koopvaardijschepen bezoeken er de haven en brengen er katoenen en zijden stoffen, lakens, kousen, schoenen, laarzen, staal en ijzer, aarde- en glaswerk, terwijl zij met huiden, vet, haar en horens naar hun vaderland terugkeeren. Uit Noord- Amerika wordt er meel, katoenen stoffen, leder, schoenen, krijgsbehoeften en schepen, — uit Frankrijk allerlei manufacturen en fabriekwaren, — en uit Brazilië suiker, koffij en rum ingevoerd. Te land wordt er handel gedreven , over de bergpassen heen, met Chili, Bolivia en Peru.

Buénos Ayres is meer dan eenmaal van dezen Staat gescheiden geweest; thans is dat gewest er mede vereenigd en de stad van dien naam is de hoofdstad van den geheelen Bond. Er zijn twee Kamers, die van den Senaat met 28, en die der Afgevaardigden met 54 leden. De tegenwoordige voorzitter der Republiek is Dr. D. F. Sarmiènto, in 1868 voor een tijdperk van 6 jaren gekozen. Men heeft er een aartsbisschop te Buénos Ayres, en bisschoppen te Parana, Cordova, Cuyo en Salta. Vele landverhuizers - vooral vele Italianen — trekken derwaarts; hun aantal bedroeg in den laatsten tijd ieder jaar gemiddeld 12000. Het staande leger telt er 10000 man, en de Republiek heeft geene oorlogschepen. Met den aanvang van 1869 waren er 666 kilometers spoorwegen voltooid, 288 in aanbouw, en 1438 ontworpen. Er is eene telegraaflijn van Buénos Ayres naar Rosario en eene onderzeesche lijn van Buénos Ayres naar Montevidéo. In 1867 vielen 1136 schepen de haven van Buénos Ayres binnen, en 1316 zeilden van dàár naar elders.

De geschiedenis van deze Republiek is nog nieuw. De Spanjaard don Diaz de Solis was de eerste Europeaan, die de La Platagewesten betrad, maar hij werd door de inboorlingen om het leven gebragt (1515). In het jaar 1530 stevende Sebastiaan Cabot de rivier op en stichtte het fort Espiritu Santo, hetwelk door de bewoners des lands verwoest werd. Pedro de Mendoza werd in 1535 als gouverneur derwaarts gezonden en deed Buénos Ayres verrijzen. Ook deze plaats werd door de Indianen verwoest en eerst in 1580 door Juan de Garay weder opgebouwd. Na 1777 vormden de Staten der Argentijnsche republiek een deel van het onderkoningrijk van de Rio de la Plata. De tijd ging voor deze gewesten tot aan het begin der 19e eeuw rustig voorbij. Toen de Engelschen den 2den Julij 1806 de hoofdstad innamen, deden zij den inboorlingen het aanbod, om hen te ondersteunen, indien zij zich onafhankelijk wilden maken van de Spanjaarden. Dit aanbod vond geen gehoor. De Engelschen werden op den 12den Augustus door de Spanjaarden onder aanvoering van Santiago Liniers verdreven, en een nieuwe aanval (5 Julij 1807) werd afgeslagen. In 1808 maakte de Prinsregent van Portugal in naam van zijne gemalin Carlota, eene dochter van Carlos VI en eene zuster van Ferdinand VII van Spanje, aanspraak op de Argentijnsche gewesten. De overheid van Buénos Ayres legde evenwel de verklaring af, dat zij de regten van Spanje met den laatsten droppel bloeds verdedigen zou.

Toen de gewesten werden aangemaand, om zich aan Joseph Bonaparte als hunnen nieuwen koning te onderwerpen, verbrandde het volk de proclamatie van den overweldiger en nam den overbrenger gevangen. Eene zamenzwering tegen Liniers, dien men als Franschman verdacht hield, werd door dezen onderdrukt, maar het volk bestormde de Spaansche regéring zoo geweldig met verzoekschriften, dat deze Cisneros als onderkoning derwaarts zond. Hij regeerde evenwel zoo onhandig, dat de inwoners van Buénos Ayres, door Engelsche kooplieden met revolutionaire denkbeelden bezield, de zamenroeping van een congres verlangden en den Onderkoning aan boord bragten van een schip, waarmede hij naar Europa teruggezonden werd. Nu was het teeken van den afval van Spanje gegeven. Don Mariano Moreno, secretaris van het regentschap, nam de wijk naar Engeland, om aldaar de belangen van Buénos Ayres te bevorderen, maar overleed op reis (1810). Liniers, die zich tegen den opstand wilde verzetten, werd gevangen genomen en doodgeschoten. In December 1810 werd de Junta of Raad der hoofdstad versterkt door 22 afgevaardigden uit de provinciën. Omdat niemand wilde gehoorzamen, werd de vergadering den 25sten September 1811 ontbonden, en nu kwam het opperbestuur in handen van een driemanschap, bestaande uit Chiclana, Passo en Saratea. Deze laatste werd in October 1812 door Medrano vervangen. Dat bewind beviel echter niet aan het leger, en weldra hadden Pena, Jonto en Passo de teugels van het bestuur in handen. Den 31sten Januarij 1813 kwam de constituérende vergadering bijeen, om meer orde en kracht aan het staatsbeleid te geven. Tot bewindvoerder werd don Gervasio Posadas benoemd; deze legde evenwel na verloop van weinige maanden zijne betrekking neder ten gunste van zijn neef Alvear, die spoedig ter zijde werd gedrongen en op een Engelsch oorlogschip de wijk nam. Op hem volgde de generaal Rondeau, die zich gehaat maakte door zijn militair despotismus en, even als zijn opvolger Balcarce, spoedig vallen moest. Toen kwamen de openbare aangelegenheden in de handen eener commissie, totdat Payrredom, in 1816 door het Congres te Tucuman tot president benoemd, aan het hoofd der zaken trad. Na verloop van 2 jaren werd hij van verraad beschuldigd. Hij vlugtte naar Montevidéo, en generaal Ramirez kwam als bevrijder in het land.

Inmiddels had het Congres te Tucuman op den 9den Julij 1816 de Vereenigde gewesten van de Rio de la Plata onafhankelijk verklaard, en den 3den September 1817 werd eene voorloopige grondwet afgekondigd. Een volgend Congres gaf op den 30sten April 1819 eene constitutie, op de leest der Noord-Amerikaansche geschoeid. Allerlei bewindvoerders wisselden nu elkander af, — ja, men telde er 20 tusschen de jaren 1816 en 1829. Twee partijen deden zich gelden, die der unionisten, welke de eenheid des lands, en die der foe- deralisten, welke de zelfstandigheid der afzonderlijke gewesten op den voorgrond stelde. Eindelijk vereenigden zich onderscheidene hoofdleiders, namelijk Leonardino, Rivadavia, Martino Rodriguez, Francesco Cruz en Manuel Garcia tot het aannemen van de volgende beginselen: Er zal een foederatieve staat worden gesticht, en op dien grondslag zal men aan de hand der ervaring eene nieuwe constitutie optrekken. Hiertoe sloten in 1822 de provinciën Buénos Ayres, Corrièntes, Entre-Rios en Santa Fé een viervoudig verbond, en de overige provinciën werden uitgenoodigd, om zich tot een of- en defensief verbond aan te sluiten. De meeste gewesten traden toe, en den 4den Junij 1823 werd tusschen de regéring der Republiek en Spanje een wapenstilstand van 8 maanden gesloten, gedurende welken over den definitieven vrede zou worden onderhandeld. De opheffing der Spaansche constitutie verijdelde echter de gekoesterde verwachtingen, want reeds in laatstgenoemd jaar verscheen een besluit van Ferdinand VII, waardoor in Spaansch-Amerika alles op den ouden voet werd gebragt.

Sedert den 20sten September 1820 had de overste Rodriguez als dictator aan het hoofd gestaan der Republiek. Hij was den 1sten April 1824 opgevolgd door don Gregorio Juan de las Heras, terwijl den 3den Mei daaraanvolgende een nieuw Congres geopend werd. Het bepaalde bij oirkonde van den 23sten Januarij 1825 met wat meer naauwkeurigheid de onderlinge verhouding der verschillende provinciën. Buénos Ayres werd belast met de zorg voor buitenlandsche zaken en sloot reeds den 24“ Februarij een handels- en vriendschapstractaat met Groot-Brittanje. Daarentegen waren de betrekkingen der Republiek met Brazilië van minder gunstigen aard. Reeds in 1817 had Brazilië de Banda oriëntal bezet, terwijl het Congres in 1825 besliste, dat gemeld gewest tot de Unie behoorde. Daarna verklaarde keizer Don Pedro van Brazlië den oorlog aan de Republiek en zond eene vloot onder bevel van den vice-admiraal Lolo derwaarts, die de haven van Buénos Ayres blokkeerde en vervolgens de geheele kust der Republiek in een Staat van blokkade verklaarde. Tevens waren onlusten uitgebarsten in Tucuman. In dit moeijelijk tijdsgewricht koos het Congres (7 Februarij 1826) den staatssecretaris Rivadavia met bijna algemeene stemmen tot president der Republiek. Alben Cordova protesteerde tegen de benoeming van een president. De oorlog tegen Brazilië werd met zooveel voorspoed gevoerd, dat reeds in Junij 1827 een voorloopig vredestractaat geteekend werd. Dit geschiedde definitief den 28sten Augustus 1828 te Rio de Janeiro. Aan de Banda oriëntal werd daarbij de vrijheid geschonken, om zelfstandig te blijven of zich bij de Unie aan te sluiten. Zij koos het eerste, aanvankelijk onder den naam van Cisplataansche Republiek en in 1830 onder dien van Republiek van Uruguay.

Reeds was Rivadavia door Lopez en deze door Dorreyo opgevolgd, maar een opstand onder generaal Juan de Lavalle noodzaakte hem, om de vlugt te nemen naar Santa Fé. Hij riep den bijstand in van het Congres, doch werd in een gevecht bij Navarra door Lavalle gevangen genomen en op last van dezen doodgeschoten. Weldra echter werd de generaal door Manuël Ortiz de Rosas, het opperhoofd der foederalisten, verslagen en te Buénos Ayres belegerd. De beide legerhoofden kwamen bij schikking overeen, dat er een nieuw Congres zou worden zamengeroepen, aan welks beslissing zij zich zouden onderwerpen. De keuzen der Congresleden vielen meerendeels uitten gunste van Lavalle. Terwijl Rosas daarop met eene hervatting der vijandelijkheden dreigde, werd de generaal Viamont voorloopig tot president benoemd, doch toen het Congres in 1830 te Buénos Ayres vergaderde, werd hij door Rosas vervangen. Terwijl de generaals Luvelle en La Paz nog altijd de vaan van het verzet bleven zwaaijen, zag zich Rosas met dictatoriale magt, bekleed, en hij dempte der opstand. Binnenlandsche rust deed de welvaart toenemen. Intusschen dwong de wreedheid van generaal Quiroga, die nog altijd tegen de aanhangers der beteugelde partij bleef woeden, dat omstreeks 8000 huisgezinnen uit Tucuman, Salta en Cordova naar Bolivia verhuisden. De voormalige verdeeldheid bleef' bestaan en verhief zich, toen generaal Balcarce tot gouverneur van den staat Buénos Ayres gekozen werd (1833). Rosas had zich na een voorspoedigen veldtogt tegen de Pampas-Indianen naar zijne goederen begeven en weigerde tot vijfmaal toe de hem opgedragen voorzitterswaardigheid, betuigende, dat hij ze alleen dan zou aannemen, wanneer hem daarbij een onbeperkt gezag werd toevertrouwd. Dit geschiedde in 1835, en daarmede nam de heerschappij van willekeur en geweld een aanvang. Rosas deed zijne persoonlijke vijanden en alle aanhangers der tegenpartij veroordeelen en ter dood brengen.

De Jezuïeten, dertig jaren te voren uit het land verwezen, keerden terug. Vrees en schrik hielden er steeds de gemoederen in spanning, en tegen het einde van 1843 waren ruim 22000 inwoners in den strijd of door beulshanden bezweken en 10000 over de grenzen gevlugt. Rust was den Dictator niet vergund; achtereenvolgens geraakte hij in ongelegenheid met Chili, Engeland, Bolivia, Paraguay, Brazilië, Uruguay en Frankrijk. Zelfs werd de stad Buénos Ayres in 1838 door eene Fransche vloot gebombardeerd, terwijl de Franschen Uruguay ondersteunden, en Corrièntes en Santa Fé afvallig werden van de Unie. Rosas wist zich echter te redden door den vrede met Frankrijk te sluiten en aan de Regering van dit rijk te doen beloven, dat zij Lavalle niet langer zou ondersteunen. Laatstgenoemde generaal werd nu bij herhaling geslagen, nam de wijk naar Tucuman en sneuvelde bij Juguy. Zijne aanhangers werden uit Uruguay verdreven en in Corrièntes en Santa Fé magteloos gemaakt. Wél werd de oorlog in Uruguay voortgezet, — wél stelden Engeland en Frankrijk, hiertoe door Brazilië uitgenoodigd, aan Rosas een ultimatum (23 Junij 1845), waarin zij de onafhankelijkheidserkenning van Uruguay vorderden, maar Rosas antwoordde met eene weigering. Nu kwam hij in oorlog met die beide mogendheden; deze zonden eene aanzienlijke vloot derwaarts, welke gesteund werd door de troepen uit Montevidéo, over welke de bekende Garibaldi het bevel voerde. Intusschen deed Rosas alle gevangene officieren en matrozen der Britsch-Fransche vloot ter dood brengen. In weerwil van dit alles sloot hij in 1850 met die beide rijken den vrede.

Er ontstonden nieuwe verwikkelingen met de Vereenigde Staten en met Brazilië. Tevens werd de gouverneur van Entre-Rios, don Juste José de Urquiza, afvallig. Ook Corrièntes scheidde zich al' van de Argentijnsche republiek. In 1851 verbonden zich de Regéring van Brazilië, de President van Uruguay (don Joaquin Suarez) en Urguiza tegen Rosas, waarna Urquiza, met 280O0 man over de Parana trok. De troepen van Rosas werden verslagen, en hij zelf, als matroos verkleed, vlugtte met twee zonen en twee dochters op een Engelsch schip, dat hem naar Europa bragt. De generaal Mancilla, die in Buénos Ayres was achtergebleven, gaf de stad over, en alle Staten onderwierpen zich aan het voorloopig bestuur, dat toen werd ingesteld. Vincente Lopez kwam er aan het hoofd, en het bevel over het leger benevens de zorg voor buitenlandsche zaken werd opgedragen aan Urquiza. Deze laatste was echter de magthebbende. Toen hij in 1852 Buénos Ayres verliet, kwam er opstand, en Pinto en vervolgens Alsina werden er tot gouverneurs benoemd. Urquiza zag geen kans om er door geweld van wapenen het gezag te herkrijgen. Het Congres te Santa Fé (1853) benoemde hem tot constitutioneel dictator en hij werd in die waardigheid erkend door al de Staten behalve door Buénos Ayres, die evenwel later toetrad. Er werd echter wederom verdeeldheid gezaaid, zoodat tusschen Buénos Ayres en de overige Staten een oorlog uitbarstte. De slag bij Cepeda (1860) liep voor Buénos Ayres ongelukkig af, zoodat deze Staat zich bij verdrag van den 11den November 1800 weder bij de Argentijnsche republiek voegde. Na korten tijd kwam de oude breuk terug; de troepen van Buénos Ayres, aangevoerd door generaal Bartolomeo Mitre, behaalde den 17den September 1861 bij Pacon eene glansrijke overwinning, en die generaal werd plaatsvervanger van den toenmaligen president Santiago Derqui. Het door hem zamengeroepen Congres benoemde hem bijna eenstemmig tot die betrekking. Niettemin heerschten overal verwarring en bandeloosheid, en de Indianen maakten er gebruik van door in 1864 in de provinciën Cordova en Santa-Fé te vallen. De verdedigingsmiddelen bevonden zich in een verwaarloosden toestand, en nergens werd iets ter verbetering aangewend.

Het Congres, dat van 12 Mei tot 7 October 1864 vergaderd was, begon evenwel wat meer ijver aan den dag te leggen. De geldzaken werden in orde gebragt, men maakte plannen van wegen en spoorwegen, het Fransche stelsel van maten en gewigten werd ingevoerd en zelfs met de vervaardiging van een nieuw wetboek een aanvang gemaakt.

De republiek scheen inmiddels te zeer aan onrust gewoon om onder Mitre tot kalmte te komen. De hoofden der onderdrukte partij bleven woelen, naburige Staten ondersteunden hunne pogingen, en weldra was het geheele gebied weder in opstand (1867). Terwijl Lopez, president van Paraguay, zich aan het hoofd der opstandelingen stelde, zocht Mitre hulp bij Brazilië, en schoon de Vereenigde Staten van Noord-Amerika een einde poogden te maken aan den strijd, werd deze hardnekkig en met afwisselend geluk voortgezet.

In 1868 is Sarmiénto tot president der Argentijnsche republiek gekozen. Niet lang daarna werd besloten, om met Brazilië te volharden in den strijd tegen Paraguay, en er bestaat eindelijk uitzigt op een rustiger tijdvak, daar Lopez in den loop van 1869 herhaalde nederlagen geleden heeft en door de overmagt en het beleid zijner aanvallers zoozeer van hulpmiddelen is beroofd, dat het hem in den eersten tijd moeijelijk zal vallen, nieuwe onlusten te verwekken in de Argentijnsche Republiek.

Laatst bijgewerkt 11-01-2018