L. betekenis & definitie

L, de twaalfde letter van ons alphabeth, draagt in het Hebreeuwsch den naam van lamed of ossenprikkel, waarvan zij in haren oudsten vorm, in het Phoenicisch letterschrift, de gedaante vertoont. Vanhier kwam deze letter onder den naam van lambda bij de Grieken, voorts bij de Romeinen en eindelijk bij al de Latijnsche en Germaansche volken van den nieuweren tijd. Als klank behoort de l met de r, m en n tot de klasse der liquidae en bezit de meeste overeenkomst met r. In sommige talen is die overeenkomst zóó sterk, dat voor die beide klanken slechts één schriftteeken bestaat, bijv. in het Pehlwi. In onderscheidene weinig ontwikkelde talen van Oceanië ontbreekt één van deze 2 medeklinkers.

Deze klankverwantschap is oorzaak, dat de r, in eene andere taal overgaande, ligt in l verandert, en omgekeerd. Zoo ontstond ons pelgrim van het Latijnsche peregrinus, ons tolk (taalman) van het Arabische tardsjoeman. Dikwijls hoort men zeggen balbier in plaats van barbier, en de Zwitser spreekt van kilche, waar hij kirche (kerk) wil zeggen. In het Poolsch heeft men eene gestreepte l met een eigenaardigen klank. — Bij de Romeinen is L onder anderen eene aanduiding van den naam Lucius, — alsmede van de woorden lex (wet) en liber (boek). Men vindt ook de verkortingen l.l. voor loco laudato (op de aangehaalde plaats) en voor laatsleden, terwijl s. I. (sine loco of zonder opgave van plaats) in catalogen aanduidt, dat de plaats, waar zoodanig werk gedrukt werd, niet is opgegeven. Op munten is de L eene verkorting van lira en live, terwijl men met de gestreepte L (£) Engelsche ponden sterling aanwijst.

Laatst bijgewerkt 08-08-2018