Aamborstigheid betekenis & definitie

Aamborstigheid (asthma). Dit woord is zamengesteld uit aam, of adem en borstigheid, dat niet van ons zelfstandig naamwoord borst, maar van het oude borste (gebrek) afkomstig is. Het beteekent dus gebrek aan adem.

In meer beperkten zin beduidt het eene kwaal, die zich bij den lijder bij tusschenpoozen vertoont en in eene moeijelijke, hijgende ademhaling gelegen is. Deze laatste wordt wel eens piepend en gaat al of niet van hoesten vergezeld. De oorzaak van deze benaauwdheid-wekkende ongesteldheid is eene krampachtige zamentrekking van de spieren, die voor de ademhaling dienen, vooral van het middelrif. Zij wordt in deze kortstondige gedaante waargenomen, waar een naauwkeurig onderzoek van de borst en van de ademhalings-werktuigen geenerlei gebrek weet op te sporen. Bevindt zich het strottenhoofd, de luchtpijp, de long, het hart enz. in ziekelijken toestand, dan is de aamborstigheid niets anders dan een verschijnsel daarvan. Om die reden verdeelt men haar in symptomatische en idiopatische, en deze laatste is de eigenlijke aamborstigheid (asthma nervosum, asthma essentiale). Zij is meer eene ziekte van mannen dan van vrouwen en hare aanvallen vertoonen zich doorgaans des nachts. Zulk een aanval heeft drie tijdperken: het voor- loopige tijdperk, dat van den aanval en dat van den vrijen tusschentijd. In het eerste gevoelt de lijder zich vermoeid en neerslagtig; hij geeuwt en klaagt over hoofdpijn. Hij legt zich neder ter rust, maar ontwaakt plotselijk met eene gewaarwording als of hij gestikt wordt. Het is hem als werd zijne borst digt gesnoerd; hij rigt zich op en ondersteunt zich met de beide armen, om de werking van de spieren der ademhaling te bevorderen. Te vergeefs — hij moet het bed verlaten; hij rukt het venster open en snakt naar lucht. Hij spant al zijne krachten in, om zijne ademhaling te bevorderen, maar de borst is als het ware verlamd, en bij het in- en uitademen doet een piepend geluid zich hooren. De doods-benaauwde lijder, wien het angstzweet op het voorhoofd parelt, kan niet spreken en niet slikken, en zijn hart klopt met onregelmatige slagen. Door middel van de gehoorbuis verneemt men geen slijm-gereutel, maar enkel het geruisch eener zwakke adem-haling. Met den duur van den aanval neemt de benaauwdheid toe. Hij kan na een kwartier uurs bedaren, maar ook uren aanhouden, zoodat hij zich zelfs in stuipachtige zamentrekkingen der spieren openbaart. Bij zijn bedaren wordt de ademhaling allengs ruimer, de pols bedaarder en de lijder loost hoestende gewoonlijk wat taaijen slijm. Daarna volgt, ingeleid door een verkwikkenden slaap, het tijdperk van rust.

Zulke aanvallen komen somtijds slechts zelden voor, bij voorbeeld eenmaal in een jaar, maar ook wel eens weken aan een iederen nacht. Bij sommigen vertoonen zij zich bij vochtig, bij anderen bij koud weder. Bij den een zijn zij de gevolgen van hevige gemoedsaandoeningen, bij den ander van eene gewijzigde voeding en van eene hierdoor belemmerde spijsvertering. Zelden is die ziekte levensgevaarlijk, maar ook zelden vatbaar voor genezing. Wie aan aamborstigheid lijden, zullen wel doen, wanneer zij zich onderwerpen aan een zeer regelmatige levenswijze, wanneer zij zoo veel mogelijk in een matig warmen dampkring verkeeren, en wanneer zij de bedorven lucht van talrijk bezochte vergaderzalen vermijden. Zij moeten flanel dragen, zich hoeden voor verkoudheid en in de vrije tusschenpoozen zich zoeken te harden door koude wasschingen en zeebaden. De lijder plaatse zich gedurende den aanval in eene gemakkelijke houding, doe geene moeite om te spreken en wachte zich voor elke ontroering des gemoeds. Over de middelen, die hij ter verhoeding of ter verzachting dier aanvallen gebruiken moet, raadplege hij een bekwamen arts.

Ook bij kinderen wordt dikwijls eene plotselinge aamborstigheid opgemerkt. Deze, laryngospasmus infantilis genaamd en wel te onderscheiden van de croup, vertoont zich bij kleinen van 0,5 tot 2 jaar en is te heviger en te gevaarlijker, naar mate de stemspleet zich meer sluit. Geringe aanvallen gaan wel eens onopgemerkt voorbij. De kinderen zijn eenigszins onrustig en maken angstige gebaren, terwijl een piepend geluid eene belemmerde ademhaling aankondigt. Spoedig echter keert, bij toenemende kalmte, de gezonde toestand terug. Het gebeurt echter ook wel, dat zoodanige aanvallen met vermeerderende hevigheid wederkeeren, — vooral wanneer de kinderen uit den slaap ontwaken en behoefte hebben aan eene diepe inademing. Deze geschiedt op een eigenaardigen, piependen toon, — en daarna staat de ademhaling geheel stil. Op het gelaat is de grootste benaauwdheid te lezen, de lippen worden blaauw, de oogen puilen uit en de halsaderen zwellen op. Deze vreeselijke toestand kan minuten duren en met den dood eindigen, maar gewoonlijk keert de ademhaling met een krijtend geluid terug, waarna de kleine lijder nog eenigen tijd blijft schreijen en snikken.

Dikwijls gaat die aamborstigheid bij kinderen van stuipen vergezeld. Zij komt vooral voor bij hen, die zonder de moederborst worden groot gebragt. De oorzaken dier aanvallen zijn veelvuldig, maar in den regel zoodanige, die aanleiding geven tot aandrang van bloed naar de hersenen. Vertoont zich die ziekte, dan besproeije men het gelaat van het kind met koud water, men neme het uit de wieg en brenge het in de opene lucht, men legge zuurdeeg aan de voeten of geve het een laauw bad. Bij een hardnekkig wegblijven der ademhaling neme men zijne toevlugt tot het inblazen van lucht in de longen en — als uiterste redmiddel — tot de tracheotomie of het openen der luchtpijp.

Laatst bijgewerkt 27-06-2017