Gepubliceerd op 14-03-2021

Stijl

betekenis & definitie

Onder stijl (in de bouwkunst) verstaat men in het algemeen de eventueel in een bouwwerk aanwezige overeenstemming tusschen samenstelling en vorm; de eenheid tusschen bouwkundige constructie en de versierende onderdeelen. Het begrip bouwkunst kan in de verst strekkende beteekenis worden genomen, d. w. z. zich ook uitstrekken tot het meubilair en de voorwerpen van ambachts- en nijverheidskunst, want ook deze kunnen diezelfde overeenstemming tusschen samenstelling en vorm vertoonen.

Meer in ’t bizonder verstaat men onder „stijlen”, die elkaar afwisselende karakters dier overeenstemming, welke gedurende verschill. tijdperken in de geschiedenis hebben bestaan. Men spreekt dienovereenkomstig van „historische” stijlen, die stijlen, die van bizondere beteekenis geweest zijn in de ontwikkeling der bouwkunst, zooals bijv. de egyptische stijl, de grieksche stijl, de romeinsche stijl, enz. (Zie egyptische kunst enz.).

De ontwikkeling der verschillende stijlen valt samen met de staatkundige ontwikkeling der volken; zij groeien, bloeien en vervallen met hun beschaving.

Semper, de groote Duitsche architect, verklaart daarom stijl als te zijn „die Uebereinstimmung einer Kunsterscheinung mit ihrer Entstehungsgeschichte, mit allen Vorbedingingen ihres Werdens.” (Zie verder onder Semper en Viollet-le-Duc.) Dit drukt volkomen juist uit, dat zeer veel factoren de ontwikkeling van een stijl beïnvloeden. Zoo is een stijl afhankelijk van de gewoonten van een volk, van zijn geestelijke ontwikkeling, en technisch van bodem en klimaat van het land.

De verschillende historische stijlen wisselen elkaar af met meer of minder groote tusschenpoozen, al naarmate de omstandigheden tot hun ontwikkeling meer of minder gunstig w^aren, de overgangstijdperken. Toch is er altijd een betrekkelijk lang tijdperk voor die ontwikkeling noodig, alvorens die overeenstemming tusschen samenstelling en vorm, de eenheid is bereikt. Elke stijl heeft een tijdperk van opkomst, van bloei en van verval, zoodat zulk een overgangstijdperk, waarin de eene stijl in den anderen overgaat, zich daardoor kenmerkt, dat aan het einde daarvan reeds de nieuwe vormen zichtbaar worden, terwijl toch nog de kunstvorm van het vorige tijdperk doorblinkt.

Dan volgt langzamerhand het bloeitijdperk van den nieuwen stijl, waarin dus de bedoelde kunstvorm het zuiverst wordt toegepast, en daarop het tijdperk van verval, waarin de kunstvorm langzamerhand ontaardt in een zekere grilligheid, aan het eind wnarvan het overgangstijdperk tot den daaropvolgenden stijl begint. Toch zijn er voorbeelden dat het tijdperk van overgang tusschen twee stijlen niet van langen duur is, dat het veranderd kunstinzicht zich zeer spoedig openbaart, zooals o.a. in Frankrijk, waar de regeeringen van sommige opeenvolgende koningen zich reeds kenmerkten door verschil van kunstopvatting. In dat geval was meestal het werk van slechts één of een paar kunstenaars voldoende om den stoot tot de nieuwe kunstbeweging te geven.

Het spreekt vanzelf dat een stijl van een volk zich nooit geheel zelfstandig ontwikkelt, omdat het onderlinge verkeer oorzaak is dat allerlei kunstvormen wederzijds worden overgenomen, die dan wel naar eigen inzicht worden vervormd, maar waarvan de oorsprong toch zichtbaar blijft.

Ook is het begrijpelijk dat met de toenemende beschaving der verschillende volken, de uitbreidingssfeer van een stijl ook steeds grooter werd, zoodat het bijv. reeds in de vroege middeleeuwen mogelijk was, dat een stijl zich over geheel Europa verbreidde. En zelfs in de oudheid heeft men diergelijke verschijnselen.

De geschiedenis der historische stijlen pleegt te beginnen ook met de geschiedenis van het oudste ons bekende volk, n.l. het egyptische.

Toch heeft de mensch altijd, dus reeds lang vóór het historische tijdvak, kunstvormen toegepast; en deze kunstvormen bleken reeds de kiemen te bevatten van de later toegepaste. Men zou dus kunnen zeggen, dat de wisselende kunstvormen slechts veranderingen zijn van vormen welke reeds van de vroegste tijden af hebben bestaan. (Zie daarover Semper, Der Stil.)



Men spreekt ook van stijl, wmnneer het geldt de eigenlijke bewerking en toepassing van de verschillende boinvmaterialen, afgescheiden van het eigenlijke karakter van den kunstvorm. Die bewerking en toepassing moeten n.l. in overeenstemming zijn met den „aard” van het materiaal. Steen vereischt een andere vormbehandeling, dus stijl, dan ijzer, en dit wreer een andere dan hout enz.

Uit een en ander volgt dat een bouwwverk stijl kan hebben zonder tot een historischen stijl te behooren, n.l. wanneer het, alhoew-el niet in een heerschenden kunstvorm uitgevoerd, toch in samenstelling en vorm de vereischte eenheid vertoont; en omgekeerd ook, dat, niettegenstaande het in een heerschenden stijl is uitgevoerd, toch stijlloos kan zijn, vranneer èn samenstelling èn vorm niet de vereischte eenheid vertoonen.