Gepubliceerd op 18-03-2021

Spraak

betekenis & definitie

Het spraakorgaan wordt gevormd uit het stemorgaan (zie Stem) en de keel- en mondholte, waaraan door een zeer volkomen musculatuur allerlei vormen kunnen worden gegeven. Bij het gewone spreken is de stem als het ware de drager van de spraak.

In zooverre is er groote verwantschap tusschen zang en spraak. Toch is er een verschil tusschen beide, dat op het volgende neerkomt.Bij zang hoort men een opeenvolging van tonen, voortgebracht door het aanblazen der stemlippen, wier timbre door resonnance in het aanzetstuk sterk gewijzigd is. Daarbij1 is van belang a. de stand van het strottenhoofd; b. het meer of minder achteroverwelven van het strotteklepje; c. het meer of minder naar binnen schuiven van de valsche stembanden; d. het meer of minder afsluiten van de bovenkeel en neusholte door het weeke verhemelte. De toonshoogte is scherp bepaald, wisselend in bepaalde trappen gelijk de melodie dit vordert. Het stemgeluid dringt zich zooveel mogelijk op den voorgrond en de geruischen der mondholte worden niet meer toegevoegd dan strikt noodzakelijk. Het is om den toon der stem en haar klankkleur te doen.

De spraak daarentegen brengt naast den zangtoon de eigenaardige resonnance der mondholte op den voorgrond en voegt aan het stemgeluid extra-geruischen toe. Wordt de toonshoogte van den grondtoon, in de muziek overeenkomstig den rhythmus vastgehouden, en in voorgeschreven intervallen gewijzigd; bij het spreken glijdt deze grondtoon voortdurend op en neer, in bevestigenden zin omlaag, in vragenden omhoog. Van trapsgewijze veranderingen is daarbij geen sprake. Deze grondtoon treedt bij het spreken dan ook zeer op den achtergrond, is vaak moeilijk te bepalen, wisselt bij het gewone spreken slechts weinig (te Kiel, waar een zeer monotone spraak heerscht, ligt de spreektoon bij klein c en wisselt ternauwernood met twee halve tonen). Hoofdzaak bij de spraak zijn klaarblijkelijk de toegevoegde boventonen en de nieuwgevormde geruischen; vandaar dat het stemgeluid bij sommige spraakgeluiden kan worden gemist, ja zelfs bij een bepaalden vorm van spreken, het zoogenaamde fluisteren, geheel kan ontbreken. Het klinkende stemgeluid is in dit laatste geval vervangen door een eigenaardig ruischen, dat in de stemspleet tot stand komt.

Het spreken is een zuiver menschelijke eigenschap. In verband hiermede heeft de mensch eenige anatomische kenmerken, die alle dieren missen: a. de inwendige spier der stembanden; b. het genioglossustraject in de onderkaak; c. een breed ontwikkelde derde frontaalwinding in de hersenen. Deze drie anatomische kenmerken duiden de drie systemen aan, welke aan de spraak deelnemen: het stemorgaan, dat tot fijnere nuanceeringen is ingericht; de mond-musculatuur, welke aan het aanzetstuk een groote wisseling van vorm verzekert; het centraalzenuwstelsel dat deze fijne beweging heeft te besturen. Het laatste onzer drie anatomische kenmerken is bij den Pithecanthropos ereetus van E. Dubois (naar den afdruk in het schedeldak te oordeelen) reeds voorhanden. Reeds in de oudste tijden moet de mensch dus over een spraak hebben beschikt. Vroeger leidde men haar ontwikkeling gewoonlijk uit den zang af (Darwin); in nieuweren tijd sluit men haar aan de mimiek aan (Wundt), hetgeen dan ook meer in overeenstemming is met het niet te betwijfelen feit, dat alle wezenlijke eigenschappen der spraak ook reeds in de volkomen klanklooze fluisterspraak voorhanden zijn.

De spraakgeluiden verdeelt men in zoogenaamde klinkers en medeklinkers.

De klinkers (vocalen) zijn acustisch gekenmerkt door vaste boventonen (domineerende formanten). Volgens eene ontdekking van Donders is de toonshoogte dezer domineerende formanten voor eiken klinker karakteristiek en onveranderlijk, onafhankelijk van de aanwezigheid van een stemtoon of van de toonshoogte van dezen. Men kan de domineerende formant op het gehoor af leeren kennen uit den klank der gefluisterde vokalen. De nadere ligging en groepeering dier domineerende formanten is gelijktijdig door Pipping (Upsala), door Hermann (Königsberg) en door Boeke (Alkmaar) nagegaan. In de verschillende talen loopen de uitkomsten e enigszins uiteen. Voor het Hollandsch zijn de toonshoogten de volgende: oe = cis2, o = c2, a = c3-e3, e = fis4, i = dis4; ou = dis2, ais2; au = ais2; ui = e2-e3; y = e2, b3; eix = cis2; ei2 = fis2, fis3.

Deze toonshoogte wisselt in verschillende woorden slechts onbeteekenend. Wanneer men den spreektoon verandert, verschuift hij een klein weinig, waarschijnlijk juist genoeg om het klankcomplex van spreektoon en domineerende formanten tot een harmonisch geheel van grondtoon en boventonen te maken.

De medeklinkers ontstaan niet door resonnance van spreektoon of glottisgeruisch in het aanzetstuk, maar door zelfstandige geruischen. Gedeeltelijk zijn dit impulsen, tot stand komende öf in de stemspleet (gottisslag), of tusschen tongwortel en verhemelte (gutturale slagconsonanten), öf tusschen tongspits en verhemelte (palatale of palatotodentale slagconsonanten), öf tusschen de lippen (labiale slagconsonanten). Voor een ander gedeelte zijn het min of meer sissende geruischen, tot stand komende op deze zelfde, zoogenaamde articulatieplaatsen en dan geruischconsonanten geheeten. Voor een derde gedeelte zijn het langzame vibraties, hetzij van de valsche stembanden, hetzij van den tongwortel, hetzij van de tongpunt of in zeldzame gevallen van de lippen en dan als ratelconsonant beschreven. Al deze zelfstandige geluiden kunnen, hetzij gelijk met den stemtoon en dan zoogenaamd stemhebbend of wel zonder stemtoon en dan zoogenaamd stemloos worden voortgebracht (de ratelconsonant en 1 zijn alleen bij ’t fluisteren stemloos, de overige kunnen het ook bij het gewone spreken zijn).

Deze klinkers en medeklinkers worden tot lettergrepen vereenigd, die nu met verschillend accent kunqen worden uitgesproken. Men onderscheidt drieërlei accent: a. muzikaal accent; b. exspiratorisch accent; c. quantitatief accent. Een lettergreep wordt gezegd met muzikaal accent te zijn gesproken, wanneer de toonshoogte van den spreektoon op zulk een oogenblik een weinig rijst. Een lettergreep wordt gezegd met exspiratorisch accent te zijn gesproken, wanneer de stembanden sterker worden aangeblazen en de klinkers en de medeklinkers scherper worden gearticuleerd. Een lettergreep wordt gezegd met quantitatief accent te zijn gesproken, wanneer aan den klinker een langere tijdsduur wordt toegekend dan gewoonlijk.

Voor het tot stand brengen der bijzondere vormen der mondholte, welke ten grondslag liggen aan de resonnance, die de domineerende formanten der klinkers doet ontstaan, zijn eigenaardige spierwerkingen vereischt, die in den jongsten tijd vooral zorgvuldig zijn nagegaan. Ook voor het voortbrengen der medeklinkers, die de vocaalstanden inleiden of afsluiten, zijn bepaalde bewegingen noodzakelijk, die het van groot belang is nader te leeren kennen. Zoowel bij het een, als bij1 het ander, hebben vooral graphische methoden groote opheldering verschaft. In de school van Marey hebben vooral Rosapelly en Rousselot deze methodes nader uitgewerkt. Ten onzent worden zij beoefend in het seminarium voor de Fransche taal aan de Groningsche universiteit en in het physiologisch laboratorium te Utrecht. In het laatste zijn de methodes der Parijsche school zoodanig gewijzigd, dat zij ook aan dialect-onderzoek dienstbaar kunnen worden gemaakt (Noord-Beveland, de Graafschap, Veluwe, Midden-Friesland).

Literatuur: Rousselot, Principes de phonêtique expérimentale (Parijs 1897), Scriplure, Elem. of exp. Phonetics (1902), en voorts historisch: Donders, Arch. f. d. holl. Beitr. (Bd. I, p. 157, 1857), Brücke, Grundzügc der Physiol. u. Systematik der SpraJilaute (1876), Pipping, Zur Phonetik der finnischen Sprache, Mem. de la Soc. finno-oagrienne XIV; Boeke, Pflüger’s Arch. f. Physiol. (Bd. 50, p. 507), Hermann, Pflüger's Arch. f. Physiol. (Bd. 53, p. 43, en Bd. 81, p. 1), Verschuur, Klankleer van het Noord-Bevelandsch Diss. (Amsterdam 1902).

< >