Gepubliceerd op 18-03-2021

Stem

betekenis & definitie

Het stemorgaan is in zijn bijzonderheden nog slechts anderhalve eeuw bekend. Ferrein (1741) was de eerste die de oorsprong van het stemgeluid aan de trillingen der stembanden toeschreef en de fijnere bewegingen dezer orgaandeeltjes heeft men eerst in de 19de eeuw kunnen volgen, nadat Garcia (1854) den keelspiegel had uitgevonden en Oertel (1895) er de stroboskopische methode op heeft leeren toepassen.

De zoogenaamde stembanden zijn lip vormige symmetrische organen, die in het strottenhoofd van voren naar achteren uitgespannen zijn. Met de vooreinden raken zij van weerszijden aan elkaar, terwijl hare achtereinden door spierwerking dicht bij elkaar worden geschoven of eenigszins uit elkaar kunnen worden gebracht. De hiertoe noodige spiertjes liggen in den achterwand en in de zijwanden van het strottenhoofd verborgen. Daar, en aan de voorzijde, bevinden zich ook spiertjes, die de spanning regelen. Deze inrichtingen, die ook voor de ademhaling nuttig zijn, heeft de mensch met de zoogdieren gemeen, daarentegen is een in de stemlippen zelve opgenomen, van voren naar achteren loopende, symmetrische spier uitsluitend aan menschen eigen. Deze spier is beslissend voor de wijze van trillen der stemlippen (registervraagstuk).

Zulk een trillen ontstaat, wanneer de stembanden door den stroom der uitademingslucht. aangeblazen worden, ongeveer als de lippen van den trompetter in het mondstuk van zijn instrument. Het analagon van dit mondstuk wordt voor het strottenhoofd door de holte tusschen ware en valsche stembanden gevormd. Naar boven sluit zich daaraan de geheele keel- en mondholte, als een groot aanzetstuk, dat den klank van het stemgeluid bèpaalt, gelijk het trompetvormig aanzetstuk dit doet bij het koperen blaasinstrument.

De toonshoogte van de stem is afhankelijk van dë spanning der stembanden. Het zijn vooral de strottenhoofdspieren die deze bepalen; mogelijkerwijze neemt ook de inwendige spier der stembanden er direct aan deel. Verwonderlijk nauwkeurig kan deze spanning en daardoor ook de toonshoogte worden geregeld, ondanks de wisselende kracht van aanblazen, die de sterkte van het geluid bepaalt.

De klankaard van het stemgeluid is afhankelijk

1. van de wijze van trillen der stemlippen,
2. van de grootte van het strottenhoofd en aangrenzende holten,
3. van den vorm van dit aanzetstuk.

De eerste factor maakt, dat men tweeërlei ' registers kan onderscheiden: het borstregister en het faussetregister (vox falsa). Het eerste ontstaat, wanneer de stemband, de inwendige spier incluis, in volle lengte en breedte trilt. De achtereinden der stembanden zijn dan vlak naast elkaar geplaatst, zonder aaneen te sluiten. Er ontsnapt weinig lucht en men voelt de diepe deelen der luchtpijp en der borstholte krachtig meetrillen. Het is alsof in die lagere holten een resonnance voorhanden is. Bij het faussetregister is de inwendige spier der stembanden een weinig gespannen, zoodat er van voren naar achteren een zoogenaamde knooplijn ontstaat en men stroboskopisch alleen den rand ziet trillen.

De stembanden zijn iets verkort, niet meer vlak naast elkaar geplaatst; de achtereinden liggen echter aaneen, voor de hoogste tonen (in het Duitsch het zoogenaamde Kopregister) zelfs over een aanmerkelijk stuk. Er ontsnapt betrekkelijk veel lucht, men voelt de borst niet meetrillen, maar daarentegen een resonnance tot stand komen in de hoogere gedeelten der luchtwegen.

De tweede factor bepaalt een verschil in stemsoort. Is het strottenhoofd groot, de stembanden lang, de keelholte breed en de gewone stand van het strottenhoofd aan den hals laag, dan ontstaat een stemgeluid, dat bij den man bas genoemd wordt. De analoge verhoudingen bij de vrouw brengen het altgeluid voort. Is daarentegen het strottenhoofd klein, zijn de stembanden kort en is het strottenhoofd aan den hals laag geplaatst, dan heeft men, wat men bij de vrouw sopraan noemt. De overeenkomstige verhoudingen bij den man doen bet tenor-geluid ontstaan. Overgangen bij de mannelijke sexe heeten bariton, bij de vrouwelijke mezzosopraan.

De derde factor kan allerlei wisselingen in stemklank teweeg brengen. Wordt bijv. tijdens het zingen de neusholte slechts hoogst onvolkomen afgesloten, dan verkrijgt het stemgeluid een nasaal karakter. Al naar gelang van den klinker, dien men wil vóórtbrengen, geeft men aan de mondholte een verschillenden vorm en naarmate dit scherper en volgens vaste regels geschiedt, klinkt de stem zuiverder. Deze regels zijn bij den natuurzanger en den geschoolden zanger niet dezelfde. De eerste brengt bij het klimmen der tonen het strottenhoofd omhoog, de laatste omlaag (Cornelie van Zanten).

Het inzetten van den stemtoon geschiedt bij geoefende zangers en sprekers met juist gestelde en gespannen stembanden, zonder dat eenig geluidsimpuls of geruisch voorafgaat. Wordt het eerste gehoord, dan zegt men, dat het inzetten met glottisslag geschiedt, wordt het laatste gehoord, dan spreekt men van den spiritus asper of „h”. Terstond bij het inzetten is de luchtdruk onder de stembanden met zorg geregeld en wel door de uitademingsspieren, die in het middenrif een tegenkracht vinden. Op de regeling dezer uitademingen komt bij het zingen veel aan. Zij is bij mannen en vrouwen niet gelijk. Bij de laatste wordt vooral veel gewonnen door uitbreiding van de middenrifademing, hetgeen echter in een geneeskundig opzicht niet altijd een onverschillige zaak is en dus door dilettanten niet overdreven moet worden.

De kinderstem ondergaat omstreeks de puberteit een opmerkelijke verandering, die men mutatie noemt. Te Kiel bleek deze verandering op 14-jarigen leeftijd slechts bij 6 pCt. te hebben plaats gevonden, op 19-jarigen leeftijd bij 3 pCt. nog niet te zijn voltooid. Eerst in het 20ste jaar is men dus in het algemeen zeker, dat de mutatie is afgeloopen en kunnen de, tijdelijk gestaakte, zangoefeningen weer beginnen. Wanneer bij mannen de stemverandering der puberteit achterwege blijft treft ons later een zonderling hoog, weinig klankrijk stemgeluid. Dit onvoltooid blijven der mutatie kan ook schijnbaar zijn, wanneer de jongeling door een aanwendsel alleen in het faussetregister spreekt.

Ouderdomsveranderingen van de stem komen door de verkalkingen resp. de verbeeningen tot stand, die in de kraakbeenderen van het strottenhoofd na het 40ste jaar regelmatig optreden. Haar algemeen voorkomen is in nieuweren tijd vooral door het onderzoek met Röntgenstralen aan het licht gekomen.

Literatuur: P. Grützner, Physiologie der Stimme und Sprache, in Hermann’s Hdb. d. Physiologie, Bd. I, 2. S. 1—153, en verder de werken over Phonetiek en Spraak, zie ald.

< >