Gepubliceerd op 23-02-2021

Ijzer

betekenis & definitie

(Ferrum, chemisch teeken Fe, atoomgewicht 55.9) het belangrijkste van alle metalen en een der in de natuur meest algemeen verbreide elementen. Het gedegen ijzer, dat op aarde gevonden wordt, is te onderscheiden in tellurisch en meteorisch of kosmisch (uit de wereldruimte afkomstig) ijzer; het eerste komt hoogstzelden voor (bij Chotzen in Bohemen, als kern der ijzerkiesbrokken, voorts in een keuperkalksteen van Mühlhausen in Thuringen, in de platina- en goudafzetsels van den Oeral en den Altaï, in sommige bazalten in het Ertsgebergte, Ierland, Groenland); het meteorisch ijzer komt deels zelfstandig voor, in groote klompen van poreuse structuur (meteoorijzer), deels korrelsgewijs in de meteoorsteenen en wordt gekenmerkt door een constant gehalte aan nikkel, waarbij nog veelal chroom en kobalt komen.

Voor het overige is ongeveer overal in het dieren-, planten- en delfstoffenrijk ijzer, verbonden met andere stoffen, voorhanden. Delfstoffen die gebruikt kunnen worden om metalliek ijzer in groote hoeveelheid te verkrijgen, worden ijzerertsen geheeten (zie beneden).Zuiver ijzer verkrijgt men door electrolytische ontleding eener met salmiak verzadigde oplossing van ijzervitriool, verder door samensmelting van smeedijzer met’ eenig ijzeroxyd, en eindelijk door verhitting van zuiver ijzeroxyd in een stroom waterstofgas. Zuiver ijzer heeft een soortelijk gewicht van 7.8 en een lichte, bijna zilverwitte kleur; het is week en tevens zeer vast, zoodat een draad van 2 millim. dikte eerst bij een belasting van 250 kilo breekt. Het zuivere metaal kristalliseert in hexaeders (cubi). Wordt goed smeedijzer in alle richtingen gelijkmatig gehamerd, dan verkrijgt het een korrelig-kristallijnen breuk; plet men het echter tot staven, dan wordt het dradig en heeft het een hakige breukvlakte; hoe volkomener de dradige structuur van het smeedijzer is, hoe taaier en dus hoe beter het is voor technische doeleinden. Door lange, aanhoudende trillingen wordt echter het taaie, vezelige ijzer weder broos en kristallijn; het plotseling breken van de assen der spoorwagens en van bruggen heeft zijn grond in deze verandering. Zuiver ijzer en smeedijzer smelten eerst boven 1500°, maar worden voordat zij smelten week en laten zich dan gemakkelijk onder den hamer bewerken en wellen, d. w. z., dat twee stukken ijzer, die een zuiver metallieke oppervlakte hebben, zich tot één stuk aan elkander laten smeden.

Het ijzer wordt sterk aangetrokken door den magneet; bij de gloeihitte verliest het die eigenschap, maar bij bekoeling krijgt het haar terug. In aanraking met of in de nabijheid van een magneet wordt ijzer zelf een magneet; het zuivere metaal verliest deze eigenschap zoodra de magneet verwijderd wordt, koolstofhoudend ijzer echter blijft magnetisch en kan door strijken met een magneet in een krachtigen, blijvenden magneet veranderd worden. Onder de verbindingen van ijzer munten magneetijzersteen en magneetkies uit door sterk magnetische eigenschappen. In compacte massa oxydeert ijzer zich bij de gewone temperatuur in volkomen droge lucht niet. Eveneens blijft dit metaal onveranderd in zuiver water; bevat het water koolzuur en is het aan de lucht blootgesteld, dan heeft er spoedig oxydatie plaats. In aanraking met vochtige lucht bedekt ijzer zich spoedig met een laag roest (ijzerhydroxyde).

Wordt het aan de lucht verhit, dan vormt zich een laagje van een zwart oxyde, z.g. hamerslag; dezelfde verbinding ontstaat wanneer ijzer in zuurstof verbrandt, en wanneer over het gloeiende metaal een stroom waterdamp geleid wordt. Het water wordt daarbij ontleed, onder vrijwording van w'aterstof. Aan de afscheiding van het ijzer uit zijn ertsen zijn groote moeilijkheden ver

bonden. Van deze ertsen zijn de volgende de belangrijkste:

De magneetijzersteen, het rijkste ijzererts, bevat in zuiveren toestand ongeveer 72 °/o ijzer; komt zeer algemeen verbreid voor, vooral echter in Zweden; het bestaat hoofdzakelijk uit ijzeroxyd-oxydule.

De roodijzersteen, die in zuiveren toestand 69 % ijzer bevat in den vorm van watervrij ijzeroxyde. De namen glaskop (bloedsteen), ijzerroom en ijzeroker worden gegeven aan ertsen, die dezelfde samenstelling hebben als de roodijzersteen en daarvan alleen door physische eigenschappen verschillen. Met kiezelzuur gemengd vormt de roodijzersteen de kiezelijzersteen, met klei gemengd de roode kleiijzersteen, met balkverbindingen gemengd heet dit erts minette. Het ijzergehalte van deze ertsen is zeer verschillend. Het ijzerglans is gekristalliseerd watervrij ijzeroxyde; op het eiland Elba worden de belangrijkste mijnen van dit mineraal gevonden.

De spaatijzersteen, die in zuiveren toestand 48,3 % Üzer bevat, bestaat hoofdzakelijk uit koolzuur ijzeroxydule. Dit erts is een hoofdbestanddeel van de metaalhoudende formatie; bijna altijd bevat het een meer of minder groote hoeveelheid koolzuur mangaanoxydule. De bol- of niervormig afgeronde stukken spaatijzersteen heeten sphaerosideriet. Een andere variëteit van dit mineraal is de kolenijzersteen, die uit een innig mengsel van spaatijzersteen met kool en klei bestaat; dit erts komt in de bovenste lagen van de steenkolenformatie in horizontale beddingen voor, en is voor Schotland en Westfalen van zeer groot belang. De klei-ijzersteen, die vooral in Engeland wordt aangetroffen, bestaat uit een innig mengsel van spaatijzersteen met klei, mergel enz.

De bruinijzersteen, is door het verweeren van spaatijzersteen of zwavelkies (pyriet, dubbel-zwavelijzer) ontstaan; dit erts bestaat in hoofdzaak uit ijzeroxyde-hydraat en bevat in zuiveren toestand 60 of 63 % ijzer.

Het boonerts, dat den vorm van ronde kogels heeft, die doorgaans uit concentrische lagen bestaan, komt veelvuldig in het zuidwestelijk gedeelte van Duitschland en in Frankrijk in de jura-formatie voor. Als hoofdbestanddeelen bevat het nu eens bruinijzersteen en klei, dan weer waterhoudend kiezelzuur ijzeroxydule.

Het moeraserts, limoniet of oer, komt voor in knolvormige of sponsachtige massa’s van bruine of zwarte kleur en bevat als hoofdbestanddeel ijzeroxyde-hydraat, waarmede echter phosphorzuur, mangaanoxyde, organische bestanddeelen en zand gemengd of verbonden zijn. Het is het eenig ijzererts, dat in Nederland wordt aangetroffen. In Overijsel, Gelderland en Drenthe, waar het vrij algemeen voorkomt, wordt het ijzeroer genoemd. Men vindt het als een korst onder de bovenste zandlaag, vooral van de groengronden (beekbezinkingen). Alleen in kleihoudende gronden kan het ijzeroer ontstaan; in zandgronden (vooral heidevelden) vormt zich op geringen afstand van de oppervlakte het zandoer, dat niets anders is dan zand, dat door ijzeroxydehydraat aaneengebakken werd en te weinig metaal bevat om als ijzererts gebruikt te worden. Het ontstaat door oxydatie uit het koolzuur ijzeroxydule, dat in het koolzuurhoudend water van den bodem is opgelost.

Het genoemde zout, dat door de reduceerende werking der rottende plantaardige en dierlijke verbindingen van de bovenste aardlaag op het ijzeroxyde van de zandkorrels en van de klei gevormd werd, wordt door het water naar dieper liggende plaatsen, waar een voor het water ondoordringbare laag voorkomt of naar slooten, poelen enz. medegevoerd, en aldaar door de zuurstof van de in het water opgeloste lucht in ijzeroxyde-hydraat veranderd. Het ijzeroer levert een dun vloeibare gietijzersoort, die voor sommige doeleinden zeer goed bruikbaar is, maar wegens haar phosphorusgehalte niet voor de bereiding van smeedijzer kan dienen.

Het ijzer dat in het dagelijksch leven gebruikt wordt is nimmer scheikundig zuiver, maar bevat altijd ½ tot 8% vreemde stoffen, w.o. de koolstof de belangrijkste is; deze vreemde stoffen verleenen het ijzer eigenschappen, die het voor bepaalde doeleinden meer geschikt doet zijn. Hoewel derhalve het aantal ijzersoorten zeer groot is, kunnen deze alle tot drie hoofdsoorten worden gebracht: ruw- of gietijzer (een verbinding van ijzer met afwisselende hoeveelheden koolstof en kiezel), smeed- of staafijzer (ijzer met slechts een gering koolstofgehalte) en staal (ijzer dat meer koolstof bevat dan gietijzer, doch minder dan staafijzer). In de techniek worden deze benamingen weinig meer gebruikt, sinds men weet, dat ijzersoorten van gelijk koolstofgehalte (gelijke scheikundige samenstelling) niettemin in velerlei opzicht van elkander kunnen verschillen.

IJzerproductie

Eertijds werden het smeedijzer en het staal meestal onmiddellijk uit de ertsen verkregen, volgens een methode, die renarbeid heette en waarvan nog twee wijzigingen bestonden, n.l. de renarbeid in haarden of wolffrisscherij (méthode catalane) en de renarbeid in ovens (loupefrisscherij). Wegens haar omslachtigheid en kostbaarheid is deze uit historisch oogpunt belangwekkende methode thans vrijwel algemeen verlaten. Tegenwoordig wordt het smeedijzer bijna uitsluitend bereid uit ruwijzer; dit laatste wordt daartoe door frisschen in haarden of puddelovens ontkoold (gedecarbureerd, van een deel van zijn koolstof bevrijd).

Onderstaand schema geeft een overzicht over de verschillende bewerkingen, die bij de fabriekmatige productie van ijzer gevolgd worden.

I.Bereiding van ijzer direct uit de ertsen.
A. Ruwijzerbereiding. Reduceerend smelten van het erts bij hooge temperatuur:
a. in groote door cokes verwarmde schacht- ovens (hoogovens),
b. in electr. hoogovens (Stassano-methode).

Product: ruwijzer (gieterij-ruwijzer, puddelruwijzer, Bessemer-ruwijzer).

B. Renarbeid. Reduceerend smelten der ertsen bij lage temperatuur in kleine ovens, haarden enz.

Product: smeedijzer of staal.

II. Bereiding van smeedijzer en staal uit ruwijzer.

A. Frischarbeid. Oxydatie der in het ruwijzer vervatte koolstof door de zuurstof der lucht:
a. met behulp van brandstoffen, in haarden: haardfrisscherij,
b. idem, in vlamovens: paddelen of poedelen.

Product: ijzer of staal.

c. door inpersing van lucht in gesmolten ruwijzer (methode-Bessemer).

Product: Bessemersmeedijzer of Bessemerstaal.

B. Door gloeiing van omgesmolten ruwijzer met ijzeroxyd (adouceeren, temperen of bereiden van smeedbaar ijzergietsel).
C. Door samensmelten van ruwijzer met ijzererts of ijzeroxyden (Breant- of Uchatiusstaal).

III. Bereiding van staal uit smeedijzer.

A. Aanhoudende gloeiing van smeedijzer met koolhoudende stoffen in gesloten kasten of troggen:
a. cementstaalbereiding.
b. pakharding (verstaling der oppervlakte van een overigens afgewerkt voorwerp van smeedijzer).
B. Carburatie van het smeedijzer door samensmelting met ruwijzer: Martinstaalbereiding (in den regeneratief-oven van SiemensMartin).

Het meeste ijzer wordt tegenwoordig bereid door de bewerkingen vermeld onder I A a en II A c.

I.Bereiding van ijzer direct uit de ertsen
A. a. De ruwijzerbereiding geschiedt tegenwoordig algemeen in ovens, waarin lucht wordt ingeblazen en die hoogovens worden genoemd. De ertsen worden onder toevoeging van toeslag (zie beneden) en brandstof (meest cokes), tezamen aangeduid met den naam lading (charge) of beschikking, in zoodanigen hoogoven gebracht. Een hoogoven is een schachtoven van aanzienlijken ruimte-inhoud en die steeds doorwerkt. Zijn inrichting is als volgt. Door de monding wordt de beschikking achtereenvolgens op regelmatige wijze in den oven gebracht, zoodat erts en brandstof in horizontale lagen op elkander komen te liggen. Deze lagen zakken allengs naar beneden, daar de brandstof onder den invloed der ingeblazen lucht en van de zuurstofverbindingen der ertsen vermindert, terwijl tevens de slakken en het ruwijzer in gesmolten toestand naar beneden druppelen. Kaar mate de inhoud van den oven afneemt, worden nieuwe lagen beschikking door de monding naar binnen gebracht. De voor het hoogovenproces vereischte hooge temperatuur wordt verkregen door het inblazen met krachtige blaaswerktuigen van samengeperste lucht; de toevoer van die lucht heeft plaats door buizen. De lucht slaat neer op gloeiende coke, verbrandt daardoor tot koolzuur, en ontmoet verder in de hoogte nieuwe koolstof, waarmee ze zich verbindt tot kooloxyde, het belangrijkste bestanddeel van het geheele hoogovenproces, daar het op zijn verderen weg aan de ertsen zuurstof onttrekt, d. i. ze tot ijzer reduceert, terwijl het zelf door opneming van zuurstof weer in koolzuur verandert en als zoodanig met de stikstof, die geen chemische processen ondergaat, den hoogoven door de monding weer verlaat. Een tegenovergestelden weg, en wel veel langzamer, beschrijft de beschikking. Deze wordt in de monding door de uitstroomende gassen allereerst gedroogd en warm gemaakt. Bij het langzaam neerzakken begint de reduceerende werking van het kooloxyd, waardoor het ijzeroxyd allereerst in ijzeroxydul verandert, welke dan meer naar onderen tot ijzer in vasten toestand gereduceerd wordt. Dit nog met bestanddeelen van het erts vermengde ijzer (ijzerzwam) neemt koolstof op en vormt daarmede het gemakkelijk smeltend ruwijzer. De hoogoven wordt, zoolang hij in goeden staat blijft, zonder ophouden gebruikt; de smeltcampagne duurt soms verscheidene jaren. Naar gelang van de afzonderlijke scheikundige werkingen, die bij het verloop van het hoogovenproces plaats grijpen, deelt men het inwendige van den hoogoven in verschillende streken. Van de bovenvlakte van den oveninhoud aan de monding, tot aan de vloeibare slakken, laten zich vijf zulke streken of zones onderscheiden:
1) de voorwarmstreek,
2) de reductiestreek,
3) de kolings- of carburatiestreek,
4) de smeltingsstreek en
5) de verbrandings- of oxydatiestreek.

In de eerste wordt de beschikking voorloopig verwarmd en uitgedroogd. De reductiestreek is de grootste van alle; in het onderste gedeelte daarvan, en vooral in den kolenzak, wordt het ijzeroxyde door de werking der reduceerende gassen gereduceerd. In de carburatiestreek vereenigt de koolstof zich met het ijzer, daardoor ontstaat in de eerste plaats een op staal gelijkende ijzersoort. De metaaldeeltjes smelten dan nog niet maar gaan, na door de verhitting min of meer aan elkander gebakken te zijn, in de smeltingsstreek over, waar zij, door meer koolstof op te nemen, in ruwijzer veranderen. In de verbrandingsstreek komt de lucht, die door de windpijpen in den oven wordt gevoerd, in aanraking met coke (zie boven).

De aan het erts toegevoegde toeslag heeft tot taak om zich met de aardachtige bestanddeelen van de ertsen en met de asch der brandstof tot licht smeltbare verbindingen te vereenigen en zoo in een vloeibare slakmassa te veranderen. Wanneer men het erts niet met toeslag vermengt, maar eenvoudig met kool verhit, zal men het metaal niet als een gesmolten massa, maar in fijn verdeelden toestand, in den vorm van sponsachtige klompen verkrijgen. De ijzersoort, die in den hoogoven bereid wordt, is ruwijzer of gietijzer. Behalve ijzer bevat zij nog de volgende elementen: koolstof (als graphiet en in den vorm van koolstofijzer), silicium (als siliciumgraphiet en in den vorm van siliciumijzer), zwavel, phosphorus, arsenikum, aluminium. De kleur en ook de overige eigenschappen van het ruwijzer hangen van de daarin voorkomende koolstof af. Men onderscheidt nog wit en grauw ruwijzer.

Het wit' ruwijzer is gekenmerkt door zijn bijna zilverwitte kleur, door zijn hardheid, broosheid, sterken glans en hoog soortelijk gewicht (7.58 a 7.68). Soms vertoont het een kristallijn weefsel, het is dan vaak min of meer bladerig van bouw; men noemt het dan spiegelijzer of ruwgtaalijzer. Wanneer het daarentegen een meer vezeligen bouw vertoont, met vezels die bij wijze van stralen bijeenkomen, en een blauwachtig grijze kleur heeft, zoo wordt het gebloemd of bloemig ruwijzer genoemd. De variëteit, bij welke de witte kleur nog meer op den achtergrond getreden is en de breukvlakte getakt begint te worden, heet gallig ruwijzer. De kleur van het grauw ruwijzer wisselt af van licht grijs tot donker zwartachtig grauw; op de breukvlakte vertoont het grove korrels of fijne schubjes of wel een bouw, die het midden houdt tusschen deze beide uitersten. Zijn soortelijk gewicht is gemiddeld 7.0, dus veel geringer dan dat van het wit ruwijzer; ook is het minder hard dan dit.

b. Bij de electrische ijzerbereiding wordt het erts verpoederd en met gemalen toeslag, cokespoeder en 5—10: o/o teer tot een brij gemaakt, die sterk geperst, gedroogd en dan in stukken geslagen wordt. Deze stukken worden in de smeltruimte van den electrischen hoogoven gebracht, waar in de lichtbogen tusschen de beide kool-electroden het erts gereduceerd en gesmolten wordt. De daarbij vrij komende zuurstof verbrandt op de coke tot koolzuur, als boven.

II. Bereiding van smeedijzer en staal uit ruwijzer

A. De frischarbeid heeft ten doel, het ruwijzer, door de inwerking van de zuurstof der lucht, door oxydatie van een groot gedeelte van zijn koolstof en van andere vreemde stoffen te bevrijden. Dit frisschen of ontkolen heeft plaats in haarden, in vlamovens (ook reverbeer- en puddelovens geheeten), of in converters (luchtfrischmethode van Bessemer). Bij het frisschen in haarden wordt het wit ruwijzer of het fijnmetaal, dat meestal in den vorm van platen voorkomt, in een vuurhaard met houtskolen gesmolten. De haard heeft den vorm van een vierhoekigen bak; de bodem en de zijwanden zijn met platen van gegoten ijzer bekleed. Onder de bodemplaat bevindt zich een gemetselde holte, die met een waterbak in gemeenschap staat; door dit water kunnen de platen van den haard, zoodra zulks noodig is, afgekoeld worden. Terwijl het ruwijzer in gesmolten toestand op den bodem valt, verbrandt niet alleen een deel van zijn koolstof, maar ook de overige vreemde stoffen, o. a. het silicium; bovendien wordt ook een gedeelte van het ijzer geoxydeerd. Nadat de geheele hoeveelheid ruwijzer, die tegelijk versmolten wordt, op den haard vereenigd is, worden de slakken afgestoken en begint het ruwopbreken. Daartoe wordt de ijzerklomp met een breekstang losgestooten en opgetild, zoodat hij boven den luchtstroom komt te liggen; voortdurend worden de stukken metaal omgekeerd om ze over hun geheele oppervlakte aan den oxydeer.enden invloed van de lucht bloot te stellen. Het ijzer verliest daarbij hoe langer hoe meer koolstof; het wordt echter, doordat de temperatuur tegelijkertijd sterk verhoogd wordt, weder vloeibaar en valt nogmaals op den bodem van den haard neder. Deze bewerking wordt zoolang voortgezet, totdat het ijzer nagenoeg gaar geworden is. De slakken, die zich na het ruwopbreken vormen, bevatten des te meer ijzeroxydule, naarmate het ijzer gaarder geworden is; ten slotte worden zij gaarslakken genoemd; ook deze silikaten worden als toeslag bij de smeedijzerbereiding gebezigd. Nu volgt het gaaropbreken, d. w. z. de geheele ijzermassa wordt door een vernieuwde verhooging der temperatuur nogmaals half vloeibaar gemaakt. Dit geschiedt met het doel om de slakken uit den oorspronkelijk sponsachtigen klomp te verwijderen en de nog niet genoeg gefrischte deeltjes te ontkolen, door ze in de nabijheid van de vormopening te brengen. Nadat dit heeft plaats gehad, wordt het ijzer (frischklomp of wolf) uit het vuur genomen en in nog gloeienden toestand onder den hamer gebracht ten einde de slakken er volkomen uit te persen. Vervolgens wordt de frischklomp in stukken verdeeld, die daarna tot staven uitgesmeed of uitgeplet worden (haardfrischijzer). Bij deze bewerking is het ijzerverlies vrij aanzienlijk; uit 100 deelen ruwijzer verkrijgt men gemiddeld 70 à 75 deelen staafijzer.

Het puddelen (frisschen in vlamovens) werd in 1784 door Gort en Parnell ingevoerd. Het bestaat in de ontkoling van, in den haard van een vlamoven gesmolten, ruwijzer door de atmospherische lucht, die door omroeren (engelsch puddling) bij het ijzer wordt gebracht. De puddel- of vlamoven is van steen en staat in gemeenschap met een schoorsteen. De werkhaard bestaat uit een ijzeren plaat, waarover men, vóór de bewerking begint, een laag moeilijk smeltbare frischslakken uitspreidt. Deze laag wordt verhit totdat zij week geworden is; daarna wogdt het ruwijzer, meest wit ruwijzer, daarop geplaatst. Door de werking van de lange vlam, die van den vuurhaard naar boven stijgt en door den bijzonderen vorm van het haardgewelf genoodzaakt is zich naar den werkhaard om te buigen, wordt het ruwijzer weldra week, tevens nemen de heete, veel zuurstof bevattende gassen van de vlam uit het ijzer koolstof weg.

Nadat het ruwijzer week geworden is, wordt het voortdurend met een kruk over den bodem van den werkhaard uitgebreid en bij aanhoudende verhitting omgeroerd (gepaddeld). Aan de oppervlakte van het metaal, dat brijachtig geworden is, ziet men blauwe vlammetjes, welke door de verbranding van het kooloxyde gevormd worden. Dit kooloxyde is door de werking van de zuurstof, die door de vlam wordt medegevoerd en van de daardoor gevormde oxydatie-producten van het ruwijzer ontstaan. Door het voortdurend koolstofverlies wordt het metaal droger ep stijver, eindelijk zandachtig (droog). Dan is de bewerking afgeloopen. Het scheikundig proces verloopt bij het puddelen op dezelfde wijze en in gelijke volgorde als bij het frisschen in den haard; alleen gaan bij het puddelen de verschillende perioden in elkander over. Vele pogingen zijn in het werk gesteld om het handpuddelen (het met de hand omdraaien van de puddelkruk) te vervangen door roertoestellen; de beste, hoewel nog verre van volkomen constructies, zijn de roteerende puddelovens van den zweed Oestlund en van den amerikaan Danks (1871), welke laatste veel overeenkomst heeft met de vroeger bij den renarbeid gebezigde rotator van Siemens, verder de schijfvormige, horizontaal roteerende haard van den duitscher Bhrenwerth.

Het Bessemerproces, in 1858 door Bessemer uitgevonden, berust op de ontkoling van vloeibaar ruwijzer door middel van lucht, die er doorheen wordt geperst (zie Bessemerstaal, en Staal).

B. Het gloeifrisschen of temperen berust op de ontkoling van vast ruwijzer in de gloeihitte en wordt toegepast bij gegoten waren, om ze zonder wezenlijke verandering de eigenschappen van smeedbaar ijzer mede te deelen.
C. Bereiding van ertsstaal door samensmelting van ruwijzer met ijzererts of ijzeroxyd. Hoewel deze methode reeds langen tijd bekend was, werd zij eerst omstreeks 1855 door Uchatius in het groot toegepast, en alleen in Zweden is zij eenigszins algemeen geworden. Terwijl Uchatius 100 deelen ruwijzer, 24 dln. gerooste spaatijzersteen en 1½ dln. bruinsteen samensmolt, bezigde Breant door gloeien geoxydeerd ijzervijlsel.

Ruwijzerproductie der aarde in tonnen:

Landen 1866 1870 1900

Groot-Britannië 4.506.270

6.660.893 52.000

Duitschland 1.000.402

1.514.657 7.540.007

Frankrijk 1.260.348

1.453.112 2.698.412

België 482.404 480.508 1.010.200

Rusland 314.850 426.896 2.296.000

Oostenrijk-Hongarije 284.638 400.420 1.475.213

Zweden 280.070 851.718 527.000

Luxemburg 40.460 231.658 270.885

Spanje 39.254 42.825 294.138

ltalië 22.000 21.000 12.000

Overig Europa — 60.000 100.000

Vereenigde

Staten v. Amerika 1.225.031

2.351.618 14.010.243

Overig Amerika — 115.000 150.000

Andere Landen — 105.000 200.000

Totaal 9.455.727

14.715.305 30.636.098

IJzercarbiden

verbindingen van ijzer en koolstof; ijzer neemt bij hooge temperatuur aanzienlijke hoeveelheden koolzuur op, waarbij het hard, broos en gemakkelijker smeltbaar wordt; daarbij ontstaan onderscheidene verbindingen. Fe C is zilverwit, bladerig-kristallijn, zeer hard, en bevat 6 % koolstof, Fe8 C wordt soms in gegoten ijzer aangetroffen, Fe C2 verkrijgt men tegelijk met cyaankalium bij het smelten van ferrocyaankalium. Lost men de IJ. op in zoutzuur, dan ontwijkt het chemisch-gebonden gedeelte der koolstof in den vorm van koolwaterstoffen, terwijl de overige koolstof, meest graphiet, onopgelost achterblijft.

< >