Gepubliceerd op 17-02-2021

Goslar

betekenis & definitie

1) Kreits van het pruisisch regeeringsdistrict Hildesheim, 429½ km.2 groot, in 1900: 50.051 inw., in 1 stad en 44 landgemeenten.

2) Stad, hoofdplaats van den kreits G„ voorheen vrije rijksstad, aan den voet van den Rammelsberg, aan de Gose en aan de spoorlijn Vienenburg—G.—Seesen en G.—Hildesheim (53 km.), heeft een ouderwetsch voorkomen en telde in 1900: 16.493 inw., meest prot. Een gymnasium, vele merkwaardige oude bouwwerken, w.o. de na een brand in 1844 gerestaureerde marktkerk met stedelijk archief en een vooral voor het tijdvak der reformatie belangrijke bibliotheek, een gotisch raadhuis met vele oudheden, het gebouw Eaiserworth (1494 voltooid, voorheen gildehuis der kleermakers, thans hotel), den Zwingertoren met 6 meter dikke muren, de romaansche kerk van het klooster Neuwerk (12de eeuw), rijk aan schilderwerk, de in 1880 gerestaureerde Frankenberger kerk (1108) met beeldhouwwerk en grafsteenen uit de 13de eeuw, enz.; de domkerk van het omstreeks 1047 door Hendrik III gestichte Simon-Judasstift werd in 1820 op de kapel na afgebroken; in de nabijheid van G. het keizershuis (zie Duitschland, kunst, dl. III pag. 2310), het oudste thans nog bestaande bouwwerk van wereldlijken aard in Duitschland, ten tijde van Hendrik III gebouwd, thans zeer bouwvallig en door allerlei nieuwere nevengebouwen ontsierd. De bevolking bestaat van bergbouw in den Rammelsberg op zilvererts, eenige industrie en handel in vruchten; in de nabijheid schiefergroeven.
G., in 979 voor het eerst vermeld, was reeds onder Otto I centrum van belangrijke mijnwerken; het was herhaaldelijk residentie der saksische en frankische keizers, die hier verscheidene rijksdagen hielden (1009, 1015 enz.); Hendrik III en 'de hier geboren Hendrik IV schonken de stad vele vrijheden en voorrechten. In 1204 werd G., omdat het de zijde der Hohenstaufen hield, door Otto IV, tegenkoning van Philips, verwoest; in het Hanzaverbond opgenomen, kwam het weldra tot nieuwen bloei. De Goslarsche statuten (uitgegeven door Göschen, Berlijn 1840), een omstreeks 1350 ontworpen wetboek, werden ook op vele andere plaatsen ingevoerd. Nadat in 1525 de reformatie hier vasten voet had gekregen, werd G. wegens de verwoesting van kloosters enz. in den rijksban gedaan en in 1552 door Hendrik den Jongere van Brunswijk gedwongen in een vergelijk te treden, waarbij het vele zijner privilegiën en een deel van zijn welstand verloor. In den Dertigjarigen oorlog werd G. in 1625 vruchteloos belegerd, in 1632 daarentegen door de Zweden bezet en zwaar gebrandschat. Door meerdere groote branden (1728, 1780), door wanbeheer en andere oorzaken vervallen, ontvolkt en onbeduidend geworden, viel het in 1802 aan Pruisen, in 1807 aan het koninkrijk Westfalen, in 1816 aan Hannover, in 1866 weer aan Pruisen. Het heeft thans een druk vreemdelingenverkeer (jaarlijks ongeveer 30.000 bezoekers).