Gepubliceerd op 17-02-2021

Gymnasium

betekenis & definitie

(meervoud gymnasia) een instelling voorbereidend tot universitair onderwijs; in Nederland wordt in elke gemeente, waar de bevolking 20.000 zielen te boven gaat, door het gemeentebestuur een G. opgericht of naar de voorschriften der wet op het hooger onderwijs gereorganiseerd en in stand gehouden, tenzij op bezoek van een G. weinig te rekenen is, als wanneer de koningin van die verplichting vrijstelling kan verleenen. In andere gemeenten kan een G. opgericht worden.

Het onderwijs aan de gymnasia wordt gegeven in een zesjarigen cursus, welke in gemeenten beneden de 20.000 zielen, met toestemming der koningin, tot een vierjarigen kan verminderd worden. De gymnasia met aldus verkorten cursus dragen den naam van progymnasia. Ten behoeve der gymnasia kan aan de gemeenten uit ’s rijks kas subsidie worden verleend. Het leerplan is vastgesteld bij kon. besluit van 21 Juni 1887 (Stbl. 105) en omvat onderwijs in de latijnsche, grieksche, nederlandsche, fransche, hoogduitsche en engelsche taal, in geschiedenis, aardrijkskunde, wiskunde, enz. De eindexamens aan de gymnasia worden afgenomen door de leeraren, ten overstaan van gecommitteerden, door den minister van binnenlandsche zaken aan te wijzen. Het getuigschrift van daaraan voldaan te hebben, geeft recht op toelating tot de academische examens.

Zij die geen G. hebben bezocht kunnen gelijk getuigschrift verkrijgen door deel te nemen aan het eindexamen van een G., of aan een examen afgenomen door een commissie, door de koningin benoemd. Het programma, voor beide examens hetzelfde, is vastgesteld bij kon. besluit van 21 Juni 1887 (Stbl. 106). De leeraren worden benoemd door den gemeenteraad. Het toezicht op de gymnasia wordt, onder het oppertoezicht van den minister van binnenlandsche zaken, opgedragen aan een of meer inspecteurs. In de navolgende gemeenten bestaat thans (1904) een G.: Breda, ?s Hertogenbosch, Arnhem, Stad-Doetinchem, Nijmegen, Tiel, Zutphen, Delft, Dordrecht, Gorinchem, Gouda, ’s Gravenhage, Leiden, Rotterdam, Schiedam, Amsterdam, Haarlem, Middelburg, Amersfoort, Utrecht, Leeuwarden, Sneek, Deventer, Kampen, Zwolle, Groningen, Winschoten, Assen, Maastricht. Verder zijn er 18 roomsch-kath. gymnasia, n.l. te Amsterdam, onder leiding der paters Jezuïeten, Eindhoven (Augustijnen), Gemert, gesticht in 1587 door den kommandeur der Duitsche orde, Heeswijk, Huissen (Collegium St.

Thomae Aquinatis, opgericht Sept. 1898), Katwijk-aan-den-Rijn (St. Willibrordus-gymnasium onder leiding der paters Jezuïeten), Lichtenvoorde (onder leiding van duitsche paters Franciscanen), Megen (gymnasium St. Antonius van Padua), Nijmegen (St. Dominicus-College en St. Canisius-College), Roermond (Bisschoppelijk College), Rolduc, Sittard (gymnasium der duitsche paters Jezuïeten), Venlo (Collegium Albertinum, benevens een pro-gymnasium), Venray (gymnasium der paters Franciscanen), Weert (Bisschoppelijk College St. Joseph), Zenderen bij Borne (gymnasium Sancti Alberti).Bij de oude Grieken waren de gymnasia openbare instellingen tot verstandelijke en lichamelijke ontwikkeling van volwassenen (zie Gymnastiek). De namen der klassische oudheid (academie, lyceum, gymnasium) bleven in de christelijke oudheid bewaart, doch werden in de middeleeuwen vervangen door de van de Romeinen overgenomen benamingen schola en studium, die in den humanistentijd allengs weer werden verdrongen door de vroegere; daarnaast kwamen nog andere benamingen in zwang, als latijnsche school. Thans heeten de inrichtingen, die voorbereiden tot het onderwijs aan de universiteiten, in Nederland, Pruisen, Oostenrijk en Rusland gymnasia, in Beieren Studienanstalten; Frankrijk heeft lycées (staatsgymnasia) en colleges (gemeentelijke gymnasia), Italië licei en ginnasi, Engeland grammar schools en public schools, België athénées, Scandinavië laroverk (geleerde scholen), Zwitserland kantonsscholen. Verder worden inrichtingen, overeenstemmende met de nederlandsche gymnasia, ook wel aangeduid met de namen lyceum, paedagogium, kloosterschool, domschool enz.