Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

VERZEKEREN

betekenis & definitie

VERZEKEREN - (verzekerde, heeft verzekerd), zeker maken : ik wil mij daaromtrent verzekeren, overtuigen;

betuigen, met overtuiging zeggen, verklaren : iem. iets op zijne eer verzekeren;
— algemeen wordt verzekerd, algemeen vertelt men voor waar;
— vastmaken: een touw verzekeren; de koopwaren werden verzekerd, stevig vastgebonden;
— (fig.) de rust van een land verzekeren, maatregelen nemen dat zij niet verstoord wordt;
— eene verzekering sluiten tegen de gevaren van brand, die der zee, die waaraan de vruchten te velde blootstaan of op het leven van personen : zijn leven verzekeren; den oogst tegen hagelschade verzekeren; ik ben voor ƒ5000 verzekerd, heb mijn inboedel, mijn leven tegen dien prijs verzekerd;
— iem. eene jaarwedde, een inkomen, de toekomst verzekeren, garandeeren;
— zich van iem. verzekeren, hem in verzekering nemen;
— (zeew.) de vlag verzekeren, bij het ophalen der vlag een schot doen.