Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Wind

betekenis & definitie

Het begrip wind heeft 3 verschillende betekenissen:

1. wind - WIND, m. (-en), beweging van de dampkringslucht; zeewind, die uit zee waait; landwind, die van de landzijde komt;
— bij-de-wind, als de wind voorlijker dan dwars inkomt; voor-de-wind, van achteren inkomende wind; bezeilde wind, wind dien men voor zijn koers behoeft; de wind op het zeil, tegenwind; de wind in het zeil, voordeelige wind; de wind is op en neer, er is geen wind; de wind steekt op, gaat liggen, ruimt, krimpt;
— wind en weer dienende, inz. bij aankondigingen van ijswedstrijden; (fig.) waait de wind uit dien hoek ?, staan de zaken zoo ?;
— boven wind zijn, voorspoed hebben;
— hij is boven wind of voor-de-vrind, het gaat hem wel;
— er waait geen wind of hij is iem. dienstig, elke zaak heeft hare goede zijde;
— in den wind slaan, veronachtzamen, niet letten op, niet geven om, zich niet bekommeren om;
— in den wind zien, acht geven op hetgeen gebeuren kan; met alle winden waaien (of draaien), met ieder meepraten, geen eigen meening hebben; de huik naar den wind hangen, zie HUIK; dat is maar wind, heeft niets te beduiden;
— wind in het hoofd hebben, zich met hersenschimmen vleien; veel wind maken, snoeven, pochen, onnoodige drukte maken;
— door den wind gaan, met een nat zeil loopen, beschonken zijn, omvallen;
— in den wind gaan, gaan zwieren; (beurst.) alle havens schutten geen wind, niet alles strekt tot eer en voordeel, waarvan men ze verwacht;
— alle hagen schutten wind, elke mededinger (bij het houden van winkel enz.) gaat met eenig voordeel weg, dat anderen weer missen moeten;
— den wind in het hoofd hebben, wild en woest zijn;
— daar is wind aan de lucht, men is braaf aan het pochen;
— de vrind waait nu uit een anderen hoek, de omstandigheden zijn nu anders;
— wie wind zaait, zal storm oogsten, het kwaad loont zijn meester;
— den wind van voren krijgen, scherpe terechtwijzingen, een uitbrander;
— lucht: men kan van den wind niet leven, men moet een middel van bestaan hebben;
— besloten darmlucht, opgehouden lucht in het dierlijk lichaam : winden laten; met winden aangehaald, geplaagd zijn; wind uit de keel, oprisping; (fig.) opgeblazenheid, gezwollenheid. WINDJE, (dicht.) WINDEKEN, o. (-s), kleine wind (in alle bet.).

2. wind - WIND, m. (-en), windhond.

3. wind - WIND, o. (-en), windas, kelderwind.