Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Val

betekenis & definitie

Het begrip val heeft 4 verschillende betekenissen:

1. val - VAL - m. (-len), het vallen, tuimeling: hij deed een leelijken val; de val der lichamen in het luchtledige; de val van het water, het vallen, ebbe;
— (fig.) tegenspoed, ongeluk, ondergang: ten val komen, in verval geraken; een ministerie ten val brengen, maken dat het zijn ontslag moet nemen;
— hoogmoed komt voor den val, op trots volgt dikwijls vernedering;
— de val van het Westersch Romeinsche rijk;
— zedelijk verderf: Adams val; een meisje ten val brengen, haar verleiden; door behaagzucht werd zij ten val gebracht;
— (gew.) dat heeft geen val, dat staat niet; het eten heeft bij mij nog geen val, ik heb nog geen trek;
— richting der bloemen eener stof die het onderstboven staan, in tegenst. met klim.

2. val - VAL - v. (-len), strook aan een schoorsteen, aan den hemel van een ledikant enz.; strook (aan vrouwenkleederen, hoeden enz.). VALLETJE, o. (-s).

3. val - VAL - v. (-len), neervallend deurtje : doe de val van het duivenslag dicht;
— inrichting, knip om schadelijke dieren te vangen : ratten en muizen in de val vangen; eene val opzetten; in de val geraken, gevangen raken, (ook fig.) in ongelegenheid raken, waaruit men zich niet redden kan;
— in de val loopen, bedrogen worden, zich laten beetnemen; (spr.) eene oude rat in de val, een geslepen kerel bedot, beetgenomen;
— als de kat in de val is, dan dansen de muizen;
— de eigenlijke brug eener hangbrug waarover men gaat of rijdt;
— (visscherij) net aan een touw geregen, dat tusschen de beide oevers van eene vaart of kanaal wordt uitgespannen en eenige voeten boven het water uitsteekt, opdat de paling er niet overheen zal kruipen : de val dichtzetten, het touw strak spannen. VALLETJE, o. (-s).

4. val - VAL - o. (-len), (zeew.) loopend touw om eene gaffel, eene ra, een zeil enz. op te hijschen.