Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

Kat

betekenis & definitie

v. (-ten), bekend viervoetig huisdier (felis domestica), inz. wijfje van den kater; de huiskat;

de kat mauwt, spint, blaast, krolt; onze kat heeft jongen;
— eene cypersche kat, grijsachtig met zwarte dwarsstrepen;
— eene Spaansche kat, met kort, hooggeel haar, kleurend gevlekt met wit of zwart en soms met beide;
— eene kartuizer kat, blauwachtig grijs, met zeer wollig haar;
— eene Angorakat, met zeer lang, zijdeachtig wit of geelachtig haar;
— de wilde kat (felis catus) komt nog veel in de Karpaten voor;
— (in spr.) zoo valsch als eene kat, in hooge mate valsch;
— zoo ziek als eene kat, zeer ziek;
— ik ben zoo flauw, zoo misselijk als eene kat;
— de kat uit den boom zien (kijken), eene afwachtende houding aannemen, eerst zien hoe de zaak waarschijnlijk afloopen zal, alvorens zich te verklaren;
— dat is geen katje om zonder handschoenen aan te vatten, dat is eene netelige zaak; hij is geen katje om zonder handschoenen aan te vatten, hij is altijd gereed om van zich af te bijten;
— de kat de bel aanbinden, voor een ander zich in gevaar begeven;
— de kat in den kelder metselen, slechts oppervlakkig, niet radicaal genezen; (Zuidn. ook) den vijand in huis brengen;
— bij avond (bij nacht) zijn alle katten grauw, in den donker kan men over de schoonheid (van meisjes en vrouwen) niet oor deelen;
— zij leven als kat en hond, zeer oneenig;
— hij knijpt de kat in het (den) donker, hij is schijnheilig, doet graag kwaad als hij meent niet gezien te worden;
— met iem. leven als de kat met de muis, op kwaadaardige wijze den zwakkere kwellen;
— dat is voor de kat, een vogeltje voor de kat, dat is verloren;
— hij stuurt zijne kat, hij komt niet;
— de kat van den bakker heeft het gedaan, zegswijze waarmee men de schuld van iets van zich afschuift;
— als mijn kat eene koe was, kocht ik geene melk meer, of ik melkte ze alle dagen in eene mand, als antwoord op onmogelijke of ongerijmde onderstellingen;
— wie met de kat speelt, wordt gekrabd, wie het gevaar bemint, zal er in vergaan;
— als de katten muizen, mauwen zij niet, gezegd wanneer anders druk pratende kinderen (of groote menschen) stil zitten te eten;
— hij is zoo wijs als Salomo’s kat, schertsend gezegd als men iem. die zich voor wijs houdt, in de maling neemt;
— meenen dat ’s Keizers kat zijne nicht is, zich veel laten voorstaan;
— hij weet er zooveel van als de kat van saffraan, hij weet er hoegenaamd niets van;
— om den wille van het smeer, likt de kat den kandeleer, ter wille van het voordeel doet men iets, wat men anders liever zou laten;
— het muist wat van katten komt, een mensch verloochent zijn aard niet:
— hij is het katje van de haan, haantje de voorste;
— zij heeft de kat aan de kaas laten komen, van den kapittelstok gelikt;
— eene kat in ’t nauw maakt vieze sprongen, als men in nood verkeert, doet men het ongeloofelijke;
— nu komt de kat op de koord, nu is het spel aan den gang; (ook) nu begint de moeilijkheid, het gevaar;
— hij stond te kijken als eene kat in een vreemd pakhuis, hij voelde zich in het geheel niet thuis,
— eene kat in den zak koopen, iets koopen zonder het gezien te hebben: (ook) bedrogen uitkomen;
— hij steekt er de kat in, de zaak staken;
— daar komt de zwarte kat in, gezegd als er ruzie komt:
— (ook) in t algemeen : roofdier van de familie der katachtigen: eene groep van katten, waartoe o. a. de panter behoort, heeft op eene lichtbruinachtige huid donkerbruine ringen;
— (dg.) een valsch vrouwspersoon, eene snibbige vrouw, een snibbig meisje : zij is eene echte kat; vgl. kamerkatje;
— (zeew.) klein anker, drèg, waarmee een groot anker wordt versterkt: eene kat op het anker zetten, zie anker en vgl. katanker;
— (spr.) het anker achter de kat werpen, uitscheiden met varen, omdat men zijn schaapjes op het droge heeft;
— takel waarmee het anker onder den kraanbalk wordt geheschen;
— katschip, zie ald.;
— geheide aanlegpaal;
— geesel, bestaande uit dunne touwen, waarmee vroeger de matrozen gestraft werden, gewoonlijk kat met negen staarten genoemd, naar het aantal touwen;
— (mil.) een hoog opgeworpen werk op de bolwerken of op de courtines eener vesting;
— (oudt.) een stormtuig, om de muren te beuken, stormkat;
— geldgordel. steenen gelddoosje (eig. in den vorm van een kattekop).