Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Grijpen

betekenis & definitie

GRIJPEN, (greep, heeft gegrepen), de hand uitstrekken om iets te vatten, iets met de hand beetpakken, om het vast te honden, te bemachtigen hij greep naar het mes, dat op tafel lag; de wouw schoot neer en greep het kieken;

— voor het grijpen liggen, in overvloed voor de hand liggen;
— iets voor het grijpen hebben, (fig.) het zonder de minste moeite kunnen verkrijgen;
— dat bericht is uit de lucht gegrepen, verzonnen;
— al wat hij grijpen en vangen kon, nam hij mee, al wat hij maar bemachtigen kon;
— de dief werd gegrepen, gevat, gevangen genomen;
— de machinist werd door de machine gegrepen en onmiddeéllijk gedood, medegesleurd en verpletterd;
— beetpakken, om het gegrepene tegen te houden hij greep het paard bij den teugel; plotseling werd ik bij den arm gegrepen; de gelegenheid bij de haren grijpen, zie GELEGENHEID;
— (fig.) het greep hem in de ziel (in het gemoed), deed hem krachtig aan, ontroerde hein diep;
— vastgrijpen, om iets te redden of voor een gevaar te behoeden het kind was te water gevallen, als ik het niet gegrepen had; de drenkeling greep de sloep, om zich drijvende te houden;
— iets aanvatten, met of zonder een bepaald doel: hij greep zijn hoed en ging heen; hij greep haar hand en hield die langen tijd in de zijne;
— naar het zwaard grijpen, zich tot den aanval (of tot zelfverdediging) gereedmaken;
— naar de pen grijpen, zich tot schrijven zetten;
— het publiek grijpt begeerig naar elken nieuwen roman van dezen schrijver, koopt on leest het boek gretig;
— in iets grijpen, ergens in tasten, (ook) bij vergissing er de hand in slaan hij greep in de modder;
— aanraken, beroeren men kan den regen haast grijpen, gezegd dat het zal gaan regenen en de regenwolken zoo laag hangen, dat men zou meenen, ze met de hand te kunnen aanraken;
— eene tastende beweging met hand of arm maken de kleine begint al te grijpen; hij greep om zich heen, tastte in het ronde;
— de ziekte grijpt steeds verder om zich, woekert voort;
— vatten het anker grijpt, vat grond;
— (van deelen van werktuigen) de tanden der raderen van eene machine grijpen in elkaar;
— (van paarden) bij het draven met den toon van den achterhoef het ijzer of de ballen van den voorvoet raken: het aanslaan, grijpen of in de ijzers slaan kan verschillende kwetsuren veroorzaken;
— (Zuidn.) vatten, pakken, houden inkt grijpt niet op geolied papier, (fig.) noch smeeking, noch bedreiging grijpt op zijn hart;
— (Zuidn.) (van bier) beginnen te gisten, te gijlen zoohaast het bier gegrepen is. doet men het in tonnen;
— moed grijpen, moed vatten: grijp moed, mijn kind;
— uit het leven gegrepen, aan de werkelijkheid ontleend dat tafereeltje is uit het leven gegrepen;
— stand grijpen, ontstaan de verwarring die sedert had stand gegrepen;
— plaats grijpen, plaats hebben, geschieden: eene vreeselijke gebeurtenis heeft hier plaats gegrepen. GRIJPING, v.