Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Boek

betekenis & definitie

Het begrip boek heeft 3 verschillende betekenissen:

1. boek - BOEK, o. (-en), een zeker aantal bedrukte of beschreven bladen van papier, perkament of andere stof, tot een geheel verbonden en eenig geschrift over eenig onderwerp bevattende;
— zulk een geheel uitgevouwen en samengenaaide vellen bedrukt papier;
— een boek in losse vellen, nog niet ingenaaid;
— een boek collationneeren, nazien of er geene bladen ontbreken of verkeerd geplaatst zijn een boek uitgeven;
— een boek opensnijden, de bladen ervan;
— dat boek is goed gegaan, verkocht;
— ook in toepassing op handschriften (gebonden of om een stok gerold);
— letterkundig gewrocht van een schrijver, verhandeling, beschrijving: een boek in drie deelen; een boeiend, vervelend, geleerd boek; een boek beoordeelen, den inhoud ervan; vgl. gedenk-, kerk, gezang-, prenten-, muziek-, kook-, reis-, tuin-, droomboek enz.;
— verboden boeken, die door de geestelijke of wereldlijke overheid, als voor het ware geloof, de goede zeden of de goede gezindheid gevaarlijk, veroordeeld zijn, en op welker lezing of verspreiding straf gesteld is;
— het Boek Gods, de Heilige Schrift, ook het Boek der Boeken genoemd; (veroud.) het boekje van den duivel, zie BOEKJE;
— het Gulden Boek, waarin hooge bezoekers van musea, enz. hun naam schrijven;
— boek, schoolboek jongen, ga naar school en vergeet je boeken niet;
— een blauw boek (in Engeland), een oranjeboek (in Nederland) enz., een bundel stukken en bescheiden betreffende eenig punt van binnen- of buitenlandsch staatsbeleid, door de regeering aan de volksvertegenwoordiging overgelegd;
— iets te boek stellen, opschrijven, beschrijven;
— men zou er een heel boek over kunnen volschrijven, ter aanduiding van buitengewone, veelal onaangename omstandigheden en ervaringen die men beleefd heeft of nog ducht dat is in geene boeken te beschrijven;
— altijd met zijn neus in de boeken zitten, altijd studeeren;
— nooit een oog in een boek slaan, nooit lezen;
— iemand uit een boek, zooals men alleen in de boeken, niet in de werkelijkheid aantreft; hij spreekt als een boek, onnatuurlijk en stijf;
— dat spreekt als een boek, dat is natuurlijk, duidelijk;
— het boek der toekomst, van het noodlot, de noodwendige loop der dingen, den menschen onbekend;
— in toepassing op een geheel van denkbeelden, voorstellingen, ervaringen, enz. waarin men als ’t ware kan lezen hij las in het boek zijner verbeelding, in het boek van het verleden;
— het boek der natuur, de natuur, de schepping;
— de goede en slechte daden door iem. verricht: het boek van het leven, van ieder mensch heeft zijne duistere passages;
— eens anders boeken zijn duister te lezen, het is moeilijk eens anders zaken te begrijpen en te beoordeelen;
— (veroud.) Heerenboeken zijn duister te lezen, den onderdanen komt geen oordeel toe over de daden en de beweegredenen der overheid;
— dat is voor hem een gesloten boek, een boek met zeven zegelen, daar weet hij, begrijpt hij niets van;
— (w. g.) een boek met zeven zegelen, het laatste oordeel;

hoofdafdeeling van een eenigszins uitgebreid letterkundig werk; ook in den bijbel;
— de gewijde boeken, de bijbel;
— daar kom ik met de boeken van Mozes, van iem. gezegd die met zware en oude boeken komt aansjouwen;
— (scherts.) de vijf boeken Mozes, vijf oude ongetrouwde zusters of vrijsters;
— een aantal bladen wit, veelal gelinieerd papier, ingebonden en bestemd om er aanteekeningen in te schrijven, inz. ter aanteekening van alle ontvangsten en uitgaven enz. van een koopman de boeken bijhouden, afsluiten, nazien; vgl. bij-, dag-, groot-, kantoorboek enz.;
— een post te boek stellen, in de boeken inschrijven, boeken;
— een rijk boek hebben, maar arm aan kas zijn, vele vorderingen hebben, maar geene contanten hebben;
— bij iem. te boek staan voor, als schuldenaar voor een zeker bedrag; (ook) aansprakelijk, verantwoordelijk zijn voor eene zaak of een misdrijf; (ook van koopwaren) als post voorkomen en geschat zijn voor een zeker bedrag;
— hij heeft een schoon boek, niets op zijn kerfstok, van iem. wiens schulden vereffend of wiens overtredingen geboet zijn; (ook) schoon boek maken, zijne schulden betalen;
— (w. g.) in het boek van iemands hart geschreven zijn, bemind zijn;
— dat is een gesloten boek, afgesloten, van personen die gestorven, of zaken die afgedaan zijn;
— (Zuidn.) hoe liggen, zitten de boeken ? hoe staan de zaken?;
— wel in iemands boeken staan, hoog te boek staan, bij iem. goed aangeschreven staan;
— lijst of register door een ambtenaar gehouden; vgl. adres-, dood-, doop-, notulen-, stamboek enz.; schrijfboek;
— het boek van Adams geslachte, zijn geslachtsregister;
— zij stond onder een anderen naam te boek, was onder een anderen naam ingeschreven in het register van den burgerlijken stand;
— als goed, eerlijk, verstandig te boek staan, daarvoor doorgaan in de schatting van anderen;
— een boek {met) stalen, op wit papier vastgehecht of in een bundel bijeengevoegd (van een kleermaker of manufacturier);
— een boek papier, 25 vel in elkander geslagen (vroeger en van Hollandsch geschept papier nog 24 vel);
— een boek prenten, 24 stuks in elkaar geslagen;
— een nieuw boek is 100 vel (sinds 1877 in Duitschland en elders); een boek bladgoud, 250 blaadjes geslagen bladgoud;
— (Zuidn.) een boek kaarten, een spel kaarten: ook boek. de stokkaarten
— de derde maag van herkauwende dieren; ook boekpens en bladmaag geheeten. Boekje, boekske, boeksken, o. (-s), zie aldaar.

2. boek - BOEK, m. (-en), beukeboom; v. als naam der vrucht beukenootje.

3. boek - BOEK, v. (-en), langwerpig vierkante, een weinig gebogen of geheel platte, gouden of zilveren sieraden (token) aan het hoofd- of oorijzer der vrouwen in Holland.