Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

SLIPPEN

betekenis & definitie

SLIPPEN - (slipte, heeft geslipt), glijden, uitglijden: mijn fiets, ik slipte, door de gladheid gleed mijn fiets uit;

— het anker slipt, pakt niet, houdt niet;
— een touw laten slippen, door de handen laten glijden;
—iets laten slippen, iets opgeven, van iets afkomen;
— de goede gelegenheid laten slippen, ontsnappen, er geen gebruik van maken.