Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Glijden

betekenis & definitie

GLIJDEN, (gleed, heeft en is gegleden), langs eene gladde oppervlakte voortschuiven, sullen, inz. over ijs of sneeuw de jongens hebben na schooltijd nog een kwartiertje gegleden; op de billen glijden, zeker kinderspel, ook postwagenrijden genoemd;

— uitglippen mijn voet kwam te glijden en ik viel op den grond;
— gemakkelijk over iets voortschuiven ds slede gleed over hd ijs; de pen glijdt over het papier; zet de ladder niet zoo schuin, anders gaat ze glijden; zij liet het goed vlug door hare vingers glijden; de boot gleed over het water;
— zich licht, vlug voortbewegen, over iets heenzweven enz. door het leven glijden, gemakkelijk, onbezorgd of zorgeloos door het leven gaan:
— eene schaduw gleed langs den muur; zijn blik gleed van het een naar het ander;
— langs eene helling vanzelf naar beneden schuiven, afzakken (door eigen gewicht, bij gebrek aan een steunpunt): van de trap, van den stoel op den grond glijden; de mantel gleed van haar schouders; die, spijzen (of dranken) glijden naar binnen, worden gemakkelijk doorgeslikt: hij liet het geld in zijn zak glijden; laat u maar langs het touw naar beneden glijden,
— ontglippen, ontsnappen, ontschieten: het geld glijdt mij door de vingers, ongemerkt wordt het uitgegeven;
— het boek was uit haar hand gegleden, onwillekeurig losgelaten en gevallen;
— geen klacht gleed over zijne lippen, hij uitte geen klacht;
— dat is hem van den duim gegleden, tegengevallen, tegengeslagen (van omstandigheden die niet meer in iemands macht staan);
— iets laten glijden, het laten glippen, laten schieten.