BANG betekenis & definitie

bn. bw. (-er, -st), het valt mij bang, dat benauwt, drukt mfi, daardoor gevoel ik mij niet op mijn gemak; de bange eenzaamheid; — (gew.) de lucht is bang, het is drukkend in de lucht; bang weer, zwaar onweer; — het iem. bang maken, het hem lastig maken, hem in ’t nauw brengen; — een bange droom, die iem. angstig maakt; — een bang voorgevoel hebben; dat waren bange dagen, benauwde dagen, waarin men vol vrees was; — de zieke heeft bange uren doorgebracht; het was een bange tijd; — eene min of meer beredeneerde vrees voor iets hebbende; — gebrek aan stoutmoedigheid, aan moed verradende; bevreesd hij is bang ’s avonds alleen thuis te zijn; vroeger meende men kleine kinderen bang te moeten maken; — hij is er zoo bang voor als (voor) den dood, zeer bang; — hij is bang, dat hij niet slagen zal, hij vreest; — hij is niet bang voor een beetje, ziet niet tegen een beetje op; — bloode ; hij is bang zich bij een groot gezelschap aan te sluiten; — die bang is moet schilderen, (gezegd tot iem. die zeer bang, bloode is); hij is zoo bang als een wezel, voor alles is hij bang; — bang voor iem. zijn, zich zijn mindere gevoelen, hem niet durven tegenspreken; — hij is niet bang om wat geld van mij te leenen, durft dat met de grootste vrijmoedigheid doen.

Laatst bijgewerkt 31-08-2018