Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 19-09-2018

Leelijk

betekenis & definitie

Leelijk bn. bw. (-er, -st), wat de zinnen inz. het gezicht onaangenaam aandoet; niet fraai, niet schoon, misvormd, wanstaltig: een leelijk gezicht; een leelijk schepsel; zij is afschuwelijk leelijk; zoo leelijk als de nacht;

— zij is te leelijk om voor den duivel te dansen, (ook) om te helpen denderen, zeer leelijk;
— eene leelijke mode;
— leelijk schrijven; dat staat u leelijk, (van een kleedingstuk) dat staat u niet goed, (ook) dat is slecht van u gedaan;
— eene leelijke stem; een leelijke reuk;
— ongunstig, kwaad, boos: er leelijk uitzien, geen gezonde kleur hebben; (fig.) het ziet er leelijk uit, de zaken staan slecht;
— iem. leelijk aanzien, dreigende blikken op iem. werpen;
— wat kijkt gij leelijk: en nu, geen leelijke gezichten; maar dadelijk doen, wat ik gezegd' heb;
— er leelijk aan (toe) zijn, ongelukkig zijn, in een ongelukkigen toestand verkeeren;
— wat ten onaangenamen indruk maakt op het gemoed, waarvan men een afkeer heeft, wat weerzin wekt; kwaad, lastig, aanstootelijk, slecht: eene leelijke gewoonte;
— een leelijke hond, die kwaad van aard is;
— eene leelijke historie; een leelijke vent, een knorrepot, een brombeer;
— dat is een leelijk zeggen, dat is gevaarlijke taal, dat is beleedigende, lasterlijke taal; leelijk weer; dat heeft die leelijke kat weer gedaan, leelijke cijfers, lage cijfers op een rapport; een leelijk rapport, met leelijke cijfers; een leelijk examen, dat tegenvalt; hij heeft het leelijk afgelegd, is bij her. examen afgewezen;
— hij heeft het leelijk te pakken, is zwaar verkouden; (scherth. ook) hij is erg verliefd.