Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 30-08-2018

Afschuwelijk

betekenis & definitie

AFSCHUWELIJK, AFSCHUWLIJK, (voorheen ook AFSCHOUWELIJK, AFSCHOUWLIJK), bn. en bw. (-er, -st), afschuw verwekkende, hevigen afkeer of afschrik inboezemende in de ruimste toepassing van allerlei stoffelijke en onstoffelijke dingen gezegd;

— (fig. bij schertsende overdrijving) uitermate slecht of leelijk, verfoeilijk om te zien, te hooren enz., zóó terugstootend dat men er als ’t ware een afschuw van voelt: welk een afschuwelijk weder!;
— hij sprak een afschuwelijk Engelsch;
— op eene afschuwelijke, verfoeilijke wijze; in ontzettende mate, in de gemeenzame spreektaal een krachtig versterkingswoord; op eene uitermate leelijke wijze, zóó dat het gezicht of gehoor alleronaangenaamst aangedaan wordt: die rok staat u afschuwelijk; die jongen schrijft afschuwelijk; hij spreekt zijn Engelsch afschuwelijk.