Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

Kast

betekenis & definitie

v. (-en), losse of in een muur getimmerde bewaarplaats : iets in eene kast leggen; alle kisten en kasten waren opengebroken; linnenkast; boekenkast;

hij heeft een kast op zijn rug, een bult;
— (w. g.) (zegsw.) zij is uit de kast, netjes gekleed;
— houten of ijzeren bedekking van iets :
kast van een slot; schuifkast, bij stoommachines, waarin de stoomschuif is besloten; raderkast;
— losse en vaste kasten in een bijenkorf;
—oud vervallen gebouw, voer- of vaartuig : ’t wordt tijd, dat men die oude kast eens afbreekt; ze mogen voor die oude kast wel eens een nieuw schip in de vaart brengen;
— (stud.) kamer; ik heb den heelen dag op mijne kast gezeten;
— (plat) bordeel: hoerenkast;
— gevangenis: hij zit al een paar dagen in de kast;
— broeikas;
— (vest.) aarde tusschen twéé schietgaten. Zie ook kas. KASTJE, o. (-s), kleine kast;
— (spr.) iem. sturen van het kastje naar den muur, van den een naar den ander, van bikboord naar bakboord.