Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 21-09-2020

2020-09-21

Kap

betekenis & definitie

Het begrip kap heeft 3 verschillende betekenissen:

1. kap - KAP, v. (-pen), hoofddeksel, inz. van vrouwen en van kloosterlingen : Noordhollandsche, Friesche kap; zij heeft hare kap afgezet; hare kinderen dragen in de week (linnen, katoenen) kappen, alleen des Zondags (kanten, tullen) mutsen; gouden kap, gouden hoofdijzer;
— de kap eener (monniks)pij;
— (w. g.) (sprw.) iem. de kap vullen, hem om den tuin leiden, foppen; de kap trekken, iem. eene poets spelen, (ook) stout zijn (van kinderen); (iem.) de kap verzetten, hem den mantel uitvegen, doorhalen, berispen; ze zitten allen op zijne kap, zij hebben ’t allen op hem gemunt, hij heeft van allen te lijden; hij zal op zijne kap hebben, hij zal er van lusten, hij zal er van hebben; ’t komt al op mijne kap, ik krijg van alles de schuld, ’t wordt alles aan mij geweten;
— (Zuidn.) op iemands kap eten of drinken, op zijne rekening, op zijne kosten ;
— kap en keuvel verliezen, verteren, wagen, alles wat men bezit; (oudt.) in de kap gaan, trouwen (van vrouwen);
— de kap aannemen, kloostergelofte doen; de kap op den tuin hangen of over de haag smijten, den monnikenstand verlaten, (ook) een beroep vaarwel zeggen;
— (w. g.) er schuilt veel boeverij onder de kap. onder het masker van vroomheid wordt veel kwaad bedreven;
— gelijke monniken gelijke kappen, men mag geen onderscheid maken;
— (veroud.) mei de kap promoveeren, met de meeste staatsie;
— lederen bedekking op het hoofd of de oogen der valken;
— het aangenaaide hoofddeksel van een vrouwenmantel : trek de kap over het hoofd;
— binnenbekleedsel van een hoed;
— allerlei zaken, die met eene kap worden vergeleken, bovendeel; (bouwk.) de kap van een schoorsteen, houten of ijzeren tafel op een schoorsteen, om het inregenen te beletten;
— kap over eene lamp, metalen, papieren of zijden bedekking tot sieraad of om het licht meer op tafel te hebben;
— de kap van een huis, het dak, het houtwerk, waarop de pannen liggen; de vlag, de meiboom in kap, wanneer een huis onder de kap komt en de metselaars en timmerlui onthaald woorden; (fig.) wij zijn waar we wezen moeten, wij hebben (nagenoeg) ons doel bereikt;
— de kap van een muur, het schuine dek;
— de kap van een molen, bovenste, gewoonlijk draaibare gedeelte, waarin de molenas ligt;
— (scheepst.) de kap van de achtertrap, kapvormige bedekking van het luik, waardoor de trap naar de kajuit leidt;
— de kap eener wieg, de huif; linnen kap van een vrachtwagen; leeren kap van een rijtuig;
— de kap van een preekstoel, het klankbord;
— (schoenm.) de koppen van laarzen, de bovenstukken van manslaarzen, vaak van andere kleur;
— losse kappen om de broekspijpen, leeren omslagen bij wijze van laarzekappen;
— de kap van een vogel, de kuif.

2. kap - KAP, v. (-pen), korst, uiteinde van een brood: eene kap brood, het laatste gedeelte van een brood.

3. kap - KAP, m. (-pen), houw, inhakking : de eerste kap op eene vijl heet grondkap.