Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Hetzelve

betekenis & definitie

HETZELVE, aanw. vnw. (o. van dezelve), (w. g.) dit, het: niemand konde het boek openen, noch hetzelve inzien; en als de ouders het kindeken Jezus inbrachten, zoo nam hij hetzelve in zijne armen en loofde God.