Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Hersenen

betekenis & definitie

HERSENEN, HERSENS, gew. ook HARSENEN, HARSENS, v. mv. (ontl.) de in de schedelholte gelegen weeke zenuwmassa, die het uitgangspunt is van alle gewaarwordingen de groote en kleine hersenen, met het verlengde merg de hoofdafdeelingen der hersenen;

— iem. de hersens inslaan, hem doodslaan;
— (als zetel van het verstand): hij heeft goede hersenen, kan flink denken, goed leeren, is schrander; `t is of ze geen hersens heeft, van iem. die niet nadenkt; hoe kan het in gezonde hersens opkomen !, het scheelt hem in de hersens, (gew.) hij is in zijn hersens geprikt, gekrenkt, hij is krankzinnig; hij zal het wel uit zijne hersens laten, hij zal wel zoo verstandig zijn, het niet te doen; hoe krijgt hij het in zijne hersens, hoe is 't mogelijk dat hij dat denkt, verlangt, wil.