Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Hellen

betekenis & definitie

HELLEN, (helde, heeft geheld), overhellen, overhangen, schuin loopen die paal helt naar links; de muur helt; dat schip helt zwaar, hangt sterk over;

— de vloer helt, loopt schuin af;
— (nat.) em hellend vlak, een vlak dat met den horizon een scherpen hoek maakt, en waarlangs zware voorwerpen opgevoerd kunnen worden door eene kracht die aanmerkelijk minder is dan hun gewicht;
— (fig.) zich op een hellend vlak bevinden, in gevaar zijn van steeds verder te moeten gaan, tot steeds bedenkelijker dingen te zullen komen;
— een hellend scheprad, een scheprad met eene as die onder een hoek van 56 tot 60° gesteld is (in tegenst. met een staand scheprad),
— een hellende kettingmolen, een kettingmolen, waarbij het water opgevoerd wordt langs een koker of goot, die onder een hoek van 20 tot 40° tegen den horizon helt (in tegenst. met een loodrechte kettingmolen), hellende boog, waarvan de geboorten op ongelijke hoogten geplaatst zijn;
— _ naar iemands zijde hellen, zijne gevoelens gunstig zijn, geneigd wezen zijne partij te kiezen;
— (w. g.) het oor tot iets hellen, neigen, daarnaar luisteren;
— overhellen, neigen, zweemen (van kleuren); dat laken helt naar het groene; (Zuidn.) buigen, doen hellen zijn hoofd hellen; eene bierton die bijkans ledig is, hellen om er de rest uit te tappen.