Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

2020-02-24

Paal

betekenis & definitie

paal - v. m. (palen), ovenpaal, ovenschop;

! (spr.) ge komt met de paal als het brood in den oven is, gij zijt te laat;
— ■ de paal door den oven steken, zich te gronde richten, tot verval komen;
— hij heeft den paal door den oven gewerkt, hij is bankroet gegaan.