Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Grootvorst

betekenis & definitie

GROOTVORST, m. (-en), een vorst die in macht boven andere vorsten staat, opperste beheerrecher van een rijk:

— (fig.) de grootvorst van Europa’s stroomen, de Rijn;
— (inz.) eertijds de titel van sommige souvereine heerschers in deelen van Rusland, thans de titel van den Czaar in sommige deelen van zijn gebied de grootvorst van Moscovië;
— titel der prinsen en prinsessen tot in den tweeden graad van het keizerlijk huis in Rusland: de grootvorst-troonopvolger, de Russische kroonprins;
— (ook) de prins in eenig vak van kunst of wetenschap Rembrandt, de grootvorst onzer schilders. GROOTVORSTENDOM, o. (-men), het gebied van een grootvorst: het voormalige grootvorstendom Moskow. GROOTVORSTIN, v. (-nen), gemalin van een grootvorst; keizerlijke prinses in Rusland;
— (fig.) o Java, grootvorstin dier landen, die als met saamgevlochten handen zich sling’ren over d’Oceaan.