Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Rijk

betekenis & definitie

Het begrip rijk heeft 2 verschillende betekenissen:

1. rijk - rijk - bn. bw. (-er, st), zeer veel van iets hebbende, ruim voorzien van : rijk aan geld, aan goed, aan boeken, aan kundigheden, aan ervaring, aan beloften ;
dit gebergte is rijk aan goud, bevat veel goudertsen ;
— hij is geen cent rijk, is doodarm; in rijke mate; eene rijke verzameling, zeer groot; dit onderwerp is te rijk om het in eens af te handelen, omvat te veel;
— een rijke oogst, zeer goed ;
— eene rijke bron van genoegen, zeer groot:
— hij heeft eene rijke verbeelding, hij phantaseert veel en stout;
— een rijk gemoedsleven hebben fijngevoelig zijn en telkens aangenaam getroffen worden ;
— rijke mijnen, die veel erts met een hoog procent bevatten ;
— rijk in bloei staan, volop bloeien;
— eene rijke taal, die veel woorden en uitdrukkingen heeft;
— (bouwk.) de rijke kant van een steen (die bij ’t vormen naar één kant weggestreken is en daardoor eene min of meer scheeve gedaante heeft), de scherpe hoeken, terwijl men de stompe hoeken den armen kant van den steen noemt;
— veel vermogen bezittende : rijke lieden;
— hij is zoo rijk als Croesus, hij is schatrijk ;
— hij is rijk getrouwd, met een rijk meisje;
— een rijk huwelijk doen, trouwen met iem. die rijk is ;
— een rijk en gezegend leven zij uw deel, eene heilbede ;
— als ik in mijne rijke jaren kom, indien ik eens rijk zal zijn (meestal in scherts gezegd);
— zich rijk woekeren, handelen, schrijven;
— (spr.) al slapende wordt men niet rijk, om vooruit te komen, moet men zich inspannen ;
— dat geeft een rijk bestaan, daarmee verdient men in ruime mate ;
— eene rijke gemeente, die veel eigendommen bezit, (ook) waar veel rijken wonen ;
— die grond is rijk, is zeer vruchtbaar, (ook) is rijk aan delfstoffen ; een rijk land, waar men veel middelen van bestaan heeft, waar de grond of de inwoners rijk zijn ;
— bij het verhuizen is men altijd rijker dan men denkt, met toespeling op de vele voorwerpen, die dan uit hoeken en gaten te voorschijn komen ;
— dien niets ontbreekt is rijk ;
— hij is al zijn vrienden (de wereld) te rijk, hij gevoelt zich overgelukkig ;
— kostbaar, prachtig, van rijkdom getuigende: rijke geschenken; eene rijke tafel; rijk gekleed gaan; dat huis is rijk gemeubileerd, met kostbare meubelen ;
— het gaat er rijk toe, alles is daar duur en kostbaar ; rijk versierd, op rijke wijze ;
— gemakkelijk : ik loop dien weg rijk in een half uur. RIJKHEID, v. rijkdom.

2. rijk - rijk - o. (-en), regeering, macht, invloed: hij wil het rijk alleen hebben, wil alleen alles te zeggen hebben, alles alleen regelen ;
— iem. het rijk alleen laten, niet tegenspreken, (bij uitbr.) hem verlaten zich verwijderen;
— zijn rijk is uit, hij heeft hier niets meer te zeggen, zijn invloed is voorbij ;
— staat, land door een vorst bestuurd, monarchie : het rijk van Karel den Vijfden;
— ons rijk, ons land in Europa, in tegenstelling met onzen staat, ons land in Europa + de koloniën en bezittingen in andere werelddeelen;
— het Hemelsche rijk, China;
— het rijk Gods, het Godsrijk;
— (godg.) het duizendjarig rijk, tijd waarin liefde en vrede op aarde zullen heerschen ;
— gebied : dat behoort tot het rijk der mogelijkheden, dat zou best kunnen gebeuren ; (ook) dat is nog lang niet zeker ;
— in ’t rijk der droomen, der verbeelding, de droom-, de phantasiebeelden ;
— de drie rijken der natuur, de drie hoofdafdeelingen waaronder al de voortbrengselen der natuur gerangschikt worden : planten-, dieren- en delfstoffenrijk;
— staat, in tegenoverstelling met de gemeenten en de afzonderlijke burgers, de overheid : hij is van het rijk aangesteld ;
— op kosten van het rijk, uit ’s lands kas bekostigd ;
— de inkomsten van het rijk ;
— deze grond behoort aan het rijk, is domeingoed ;
— die zaak gaat niet de gemeenten, maar het rijk aan ;
— eene instelling van het rijk, openbare inrichting uit ’s lands kas bekostigd. RIJKJE, o. (-s).