Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Tien

betekenis & definitie

Het begrip tien heeft 3 verschillende betekenissen:

1. tien - tien - telw. hoofd- of grondgetal, negen plus één : hij is tien jaar; dat kind loopt naar de tien, is bijna 10 jaar; een mensch heeft tien vingers; de tien geboden, (scherts.) de tien vingers;
— tien om een dubbeltje, 10 kosten een dubbeltje;
— (spr.) hij staat er bij of hij geen tien kan tellen, hij staat met den mond vol tanden, zegt niets (uit verlegenheid of domheid);
— in de kwade tien zijn, (van een man) tusschen de 60 en 70, (van eene vrouw) tusschen de 50 en 60, omdat dat een gevaarlijke leeftijd is;
— (Zuidn.) hij is in zijn kwade tien, in eene kwade luim;
— dat is een kwade tien, eene booze, droevige zaak, waarvan men veel verdriet kan hebben;
— ’t heeft de waarde van een ranggetal in : Hoofdstuk tien; hij is van het jaar tien; tien Januari;
— TIENEN (het telw. Tien, beschouwd als een zelfstandig gebruikt bn. in het meerv.), tien personen : een gezelschap van tienen; we waren met zijn (ons) tienen;
— tien deelen van hetzelfde geheel: iets in tienen breken;
— tien uren: op slag van tienen;

— (spr.) ik geef het u in tienen te doen, ik wed dat gij het niet kunt.

2. tien - tien - v. (-en), het cijfer 10 : allemaal tienen schrijven; eene Romeinsche tien (X);
— kaart met 10 eenheden : eene tien uitspelen; ruiten tien;
— tiental : iets aan tienen leggen; bij tienen aftellen; eerst de eenen en dan de tienen optellen; 70 is 7 tienen,
— kaars van tien in een pond.

3. tien - tien - v. (-en), (gew.) teen, twijg. TIENTJE, o. (-s).