Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Gisteren

betekenis & definitie

GISTEREN, ook GISTER, bw. op den dag vóór heden zij is gisteren vertrokken; de dag van gisteren, de vorige dag;

— van gisteren, eerst sedert zeer korten tijd in wezen (ter kenschetsing van den onbelangrijken duur van ons bestaan): wij menschen zijn van gisteren, wij maar, eer het aardrijk was, was Hij !;
— (scherts, van iem. die ,,pas komt kijken”) zonder ervaring hij is niet van gisteren, hij is wel ingelicht, goed op de hoogte; (ook) bij de pinken, bij de hand;
—, o. het gisteren, iemands gisteren, het verleden het heden wordt gisteren.