Beugel betekenis & definitie

BEUGEL, m. (-s), gebogen band, metalen ring; — ijzeren poortje waardoor in eene beugelbaan de bal wordt geslagen; — boog op eene hooihark; — boog op eene zeis bij het maaien; — stijgbeugel: vast in de beugels zitten, (fig.) zeker van zijne zaak zijn; — (fig.) den voet in den beugel hebben, den eersten stap gedaan hebben, op weg zijn om vooruit te komen in de maatschappij; — ijzeren toestel om de beenen van een kind om het kromgroeien ervan te beletten, (ook) om lijders aan beenziekten het gaan te vergemakkelijken of mogelijk te maken; — ijzeren voetboei of kluister; — gebogen ijzer aan het tuig van eene beugelsjees; — houten of ijzeren hoofdstel voor koeien op stal; — ijzeren ring als handvatsel; beugel van een kettinganker, peervormige sluitschalm; — metalen ring die door middel van scharnieren dubbel geslagen kan worden en waaraan een taschje voor geld; knip; ook de geheele tasch met sluiting er is geen geld meer in den beugel; — ijzeren ring waaraan een baggernet is vastgemaakt: (ook) net met beugel; — beugelnet om visschen en vogels te vangen; — beugel van eene sabel, gebogen deel aan het gevest; — beugel van een geweer, gebogen deelen om den trekker; — ijzeren sluiting van luiken (op schepen); -— ringvormig of vierkant ijzer ter bevestiging van houtwerk; — koperen ring waarin de kompasketel met twee assen hangt; — (bij sluisdeuren) de halsbanden waarin de achterharren der puntdeuren van boven draaien; — gebogen deel eener sluiting de beugel aan de stop eener flesch; de schieter van het slot moet in den beugel vatten; — (waterb.) paalrij aan de Friesche zeedijken; — gedraaid bosje stroo waarmede de spreilaag van de krammat aan de glooiing van een dijk vastgestoken wordt; — benaming van verlengstukken aan sommige blaasinstrumenten; — (oudt.) ring waarmee de hooiden gemeten werden; — (Z. A.) de trompet van een postrijder; — (fig.) dat kan niet door den beugel, het kan er niet door, kan niet geduld worden.

Laatst bijgewerkt 01-09-2018