Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Bal

betekenis & definitie

Het begrip bal heeft 3 verschillende betekenissen:

1. bal - m. (-len). bolrond lichaam (van caoutchouc, leder of iets dergelijks vervaardigd) waarmede kinderen zich vermaken door het op te gooien en te vangen; bolrond lichaam dat bij bepaalde spelen als kaatsen, kegelen, biljarten enz. dienst doet;
— eene in bolvorm samengepakte hoeveelheid sneeuw waarmede geworpen wordt, sneeuwbal;
— een bal (balletje) gehakt, fijngehakt vleesch in bolvorm samen gepakt;
— suikerballetje;
— gedeelte der mannelijke voortplantingsorganen, zie ZAADBAL;
— (biljartspel) een bal stoppen, in den zak brengen;
— de bal verloopt, komt in den zak terecht, zoodat behaalde punten verloren gaan;
— een bal maken, zoo stooten, dat men er punten mee verwerft;
die bal is niet te maken, zooals de ballen nu liggen, kan ik er geen goeden stoot van maken; een mooie bal; een gemakkelijke bal;
— (fig.) den bal misslaan, het mis hebben, verkeerd oordeelen of raden bezijden de plank zijn (foutief de plank misslaan), -
— (spreekw.) wie kaatst moet den bal verwachten, wie iemand iets scherps toevoegt of eene poets bakt, moet het zich getroosten, dat hij met gelijke munt betaald wordt;
— iem. stok en bal geven, zie STOK;
— ik weet er geen bal van, volstrekt niets (vgl. geen steek, geen zier, geen lor); ook hij weet er de ballen van;
— bal van den voet, van de hand, gedeelte van den voetzool (handpalm), dat op de teenen (vingers) volgt.

2. bal - o. (-s). eenigszins groote danspartij bal houden, naar 't bal gaan, een bal geven;
— na afloop bal, (ook) bal na, na afloop (der voorstelling) zal er gedanst worden;
— het bal openen, den dans beginnen;
— bal masqué, gemaskerd bal, waarop de dansers gemaskerd zijn;
— bal champêtre, bal in de open lucht.

3. bal - ook BALT, BALSCH, bn. (gew.) boos, driftig, onrustig; (ook) schuw (van vogels gezegd).