Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 30-08-2018

2018-08-30

Advocaat

betekenis & definitie

ADVOCAAT m. (...caten), rechtsgeleerde die de bevoegdheid heeft en het beroep uitoefent van zijne medeburgers in rechtszaken als raadsman bij te staan en gedingvoerende partijen of beklaagden voor den rechter te verdedigen;

— (scherts.) iem. die een persoon of eene zaak bij anderen voorspreekt of verdedigt: een mensch is de grootste advocaat van zich zelf;
— (zegsw.) spreken als een advocaat, gevat en wel bespraakt zijn;
— liegen als een advocaat, gevat liegen;
— (Zuidn.) rekenen, schrijven als een advocaat, zeer goed rekenen, schrijven;
— hij is een goede advocaat voor verloren zaken, hij kan zeer goed zijn woord doen, weet zijne meening wel ingang te doen vinden;
— een advocaat van kwade zaken, iem. die verkeerde handelingen tracht te verdedigen;
— zijn eigen advocaat zijn, zijne zaak zelf verdedigen;
— (R.-K.) advocaat des Duivels of Duivelsadvocaat, iem. die te Rome bij eene heiligverklaring ambtshalve twijfelingen en bedenkingen opwerpt aangaande de wonderen die tot de heiligverklaring vereischt worden; (bij uitbr.) iem. die bij voorkeur het slechte eener zaak in ’t licht stelt;
— advocatenborrel.