Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Vogel

betekenis & definitie

m. (-s, -en),

1. elk der dieren van de door hun lichaamsvorm scherp afgebakende aldus genoemde klasse (Aves) van gewervelde dieren bij wie de voorste ledematen in vleugels veranderd zijn, terwijl het lichaam met veren bedekt is; zij hebben een snavel en planten zich voort door eieren : er zit een vogel in de tuin ; sommige vogels zingen fraai; vogels zijn schuwe dieren; — een vogel in de vlucht (onder het vliegen) schieten ; — de vlucht der vogels raadplegen, bij de Ouden een middel om de toekomst te voorspellen; — (zegsw. en spr.) vrij zijn als een vogel in de lucht, in de hoogste mate vrij, door niets gebonden; — beter één vogel in de hand dan tien in de lucht, weinig maar zeker is beter dan veel dat onzeker is; —vogeltjes die zo vroeg zingen, zijn voor de poes, die zo vroeg willen genieten, komen bekaaid uit; (Zuidn.) een vogel voor de kat zijn, ten ondergang gedoemd, ten dode opgeschreven zijn ; een vogel zingt zowel van armoede als van weelde, vrolijkheid vindt men bij armen zowel als bij rijken; — de vogel kent men aan zijn veren, de mens aan zijn doen en laten ; evenzo: zulke vogels, zulke veren ; — het is een vette vogel die zichzelf bedruipt, wie rijk is, heeft geen hulp nodig ; — oude vogels zijn zo licht niet te vangen ; — ieder vogeltje zingt naar het gebekt is, ieder spreekt volgens zijn manier, zijn aard en zijn beschaving; — de vogel is gaarne daar waar hij gebroed is, ieder houdt van zijn geboortestreek;

de vogel is gevlogen, hij die men zoekt is ontvlucht; — het zijn vogels van enerlei veren, de een is niets beter dan de ander ; —alle vogels vliegen, zeker gezelschapsspel waarbij deze uitdrukking telkens gevarieerd moet worden, waarbij de uitgespreide handen omhooggestrekt worden;

2. afbeelding of voorstelling van een dier als onder 1., bep. als doel om naar te schieten : de vogel afschieten ;
3.(jag.) eend ; een halve vogel, een eend van de kleinste soort;
4. gemeenz. aanduiding van een persoon onder zeker aspect: het is een rare, een gladde, een slimme vogel; een vrolijke vogel, een lichthart.