Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Kat

betekenis & definitie

v. (-ten),

1. bekend viervoetig huisdier uit de fam. der Katachtigen van de orde der roofdieren (Felis ochreata domestica), met dichte, zachte pels; zowel als naam voor beide geslachten als, in ’t bijz. voor het wijfje (tgov. kater), poes: de kat mauwt, spint, blaast, krolt; onze kat heeft jongen;
een witte, een zwarte, een gevlekte, een cyperse kat;
Spaanse kat, met kort, hooggeel haar, kleurend gevlekt met wit of zwart en soms met beide;
Kartuizer kat, blauwachtig grijs, met zeer wollig haar;
Angorakat;
— (in het volksgeloof) als de kat zich wast, komt er gewis een gast;
als de kat met haar rug naar het vuur zit, gaat het regenen of sneeuwen;
een zwarte kat (zien) is een slecht voorteken;
— (zegsw. en spr.) geen hond of kat, niemand, geen sterveling;
ogen hebben, kunnen zien als een kat, zeer scherp kunnen zien;
zo vlug als een kat;
zo vals als een kat, in hoge mate vals;
zo misselijk als een kat, erg misselijk;
zo nat als een kat, kletsnat, druipnat; er uitzien als een verzopen kat;
de kat uit de boom kijken, een afwachtende houding aannemen, eerst zien hoe de zaak waarschijnlijk aflopen zal, alvorens zich te verklaren;
er omheen lopen als de kat om de hete brij, er wel aan willen, maar niet durven;
(het blijft hetzelfde) of men van de kat, of van de kater gebeten wordt, als men toch het slachtoffer moet worden, is het onverschillig hoe of waardoor;
hij is geen katje om zonder handschoenen aan te vatten, hij is niet mak, altijd gereed om van zich af te bijten;
de kat de bel aanbinden;
de kat in de kelder metselen, slechts oppervlakkig, niet radicaal genezen; (Zuidn. ook) de vijand in huis brengen;
de kat zal met zijn lege maag niet weglopen, hij heeft stevig gegeten;
bij avond (bij nacht) zijn alle katjes grauw, in de donker kan men over de schoonheid (van meisjes en vrouwen) niet oordelen;
zij leven als kat en hond, zeer onenig;
hij knijpt de kat in het (den) donker, hij is schijnheilig, doet kwaad als hij meent niet gezien te worden;
met iem. leven als de kat met de muis, naar tirannieke willekeur met hem handelen; — dat is voor de kat, een vogeltje voor de kat, dat is voor de poes, verloren;
hij stuurt de (zijn) kat, hij komt niet, laat zich wachten;
de kat (van de bakker) heeft het gedaan, zegswijze waarmee men de schuld van iets van zich af schuift;
als mijn kat een koe was, kocht ik geen melk meer, antwoord op onmogelijke of ongerijmde onderstellingen;
als de kat van huis is, dansen de muizen in het voorhuis, als er geen toezicht is, halen de kinderen, de ondergeschikten enz. hun hart op;
als de katten muizen, mauwen zij niet, gezegd wanneer anders druk pratende kinderen (of grote mensen) stil zitten te eten;
het muist wat van katten komt, een mens verloochent zijn aard en afkomst niet;
hij is zo wijs als Salomo’s kat, schertsend gezegd als men iem. die zich voor wijs houdt, in de maling neemt;
menen dat s keizers kat zijn nicht is, zich veel laten voorstaan, zich veel inbeelden;
hij weet er zoveel van als de kat van saffraan, hij weet er hoegenaamd niets van;
om den wille van het smeer, likt de kat de kandeleer, men vleit uit baatzucht;
de kat bij ’t spek zetten, iem. in de verleiding brengen; zich wetens schade doen;
zij heeft de kat aan de kaas laten komen, van de kapittelstok gelikt;
een kat in ’t nauw maakt rare sprongen, als men in nood verkeert, doet men het ongelofelijke;
— (Zuidn.) nu komt de kat op de koord, nu gaat het spel beginnen, nu begint de moeilijkheid, het gevaar;
hij stond te kijken als een kat in een vreemd pakhuis, hij voelde er zich in het geheel niet thuis;
een kat in de zak kopen, iets kopen zonder het gezien te hebben, en vand.: bedrogen uitkomen;
hij steekt er de kat in, scheidt er mee uit (omdat hij er genoeg van heeft);
daar komt de zwarte kat in, gezegd als er ruzie komt;
— (Zuidn.) het zal katten spuwen, het zal heel slecht, onstuimig weer worden;
2. (nat. hist.) de Katten, de katachtige dieren;
wilde kat, enige Europese soort van dit geslacht (Felis silvestris);
— (bij vergelijking) vliegende kat, soort van grote vleermuis op Ternate;
— vgl. civetkat, poolkat;
3. (fig.) ben. voor een al te bijdehante, vinnige of snibbige vrouw, een snibbig meisje: zij is een echte kat;
valse kat, iem. die zeer onbetrouwbaar is;
— (Barg.) hoer; vgl. kamerkatje;
4. halsbont van kattevel of in ’t alg.;
5. (zeew.) gijn om het anker onder de kraanbalk te hijsen;
— klein anker, dreg, waarmee een groot anker wordt versterkt: een kat op het anker zetten;
— beting op de kaai om een anker achter vast te zetten: (spr.) het anker achter de kat werpen, uitscheiden met varen, omdat men zijn schaapjes op het droge heeft;
6. katschip;
7. geheide aanlegpaal in het midden van een vaarwater;
8. stenen gelddoosje (eig. in de vorm van een kattekop);
— (Barg.) geldriem;
— fooi;
9. gesel, bestaande uit dunne touwen, waarmee vroeger de matrozen gestraft werden, gewoonlijk kat met negen staarten genoemd, naar het aantal touwen;
10. (mil.) verhoogd werk op de bolwerken of op de courtines van een vesting; ook als belegeringswerk;
11. (oudt.) belegeringswerktuig op rollen, een soort van galerij om onder dekking daarvan aarde en rijswerk aan te voeren om de grachten te dempen, ook wel met een ram of schietwerktuig er in, stormkat.