Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Juist

betekenis & definitie

bn. bw. (-er, meest —),

I. bn.,
1. in overeenstemming met recht en billijkheid: een juiste en evenredige beloning; gerechtvaardigd : de klacht is juist;
2. in overeenstemming met de gestelde eisen, zoals het behoort of verlangd wordt: zijn reactie was juist; een juist optreden;
3. berekend voor, in overeenstemming met doel of bestemming, gepast, goed: een juiste toepassing; precies op de juiste plaats; de juiste man op de juiste plaats ; het juiste ogenblik; het juiste woord, dat de zaak nauwkeurig omschrijft; ook: dat in de gegeven omstandigheden op zijn plaats is ; — het doel treffend, zuiver: een juiste blik; die opmerking is zeer juist; de juiste tact;
4. met de waarheid, het wezen van iets in overeenstemming, waar: dat is wetenschappelijk niet juist; een juiste voorstelling van iets hebben ; dat is minder juist, zachtere uitdr. voor verkeerd, fout of gelogen;
5. nauwkeurig bepaald, afgebakend, precies : het juiste bedrag ; het juistetijdstip is niet bekend-; de juiste woorden herinner ik mij niet meer;

II.bw.,

1. overeenstemmend met recht en billijkheid, of met de gestelde eisen: juist oordelen, handelen; de middelen juist kiezen;
2. naar het wezen of de waarheid : zich iets juist voorstellen; dat is juist gezien; —

nauwkeurig, net, precies : dat is zeer juist omschreven; je hebt juist geraden’, ook als tw.: juist! zo bedoel ik het; — bij versch. bep.: juist vier ons; juist onder mijn raam; juist van pas; — bij een bep. van tijd: juist op het ogenblik dat... ; ook absol., op hetzelfde, op dat of dit ogenblik : daar komt hij juist (nu ik over hem spreek); ik ben er juist mee bezig (nu je er naar vraagt);

3. daar juist, zo even; — soms zoveel als toevallig: altijd gaat hij met een paraplu uit, maar bij die gelegenheid had hij er juist geen bij zich;
4. volkomen, geheel en al: juist de soort waar ik van houd; juist wat ik gezegd heb ; juist het-, de-, diezelfde; juist als vroeger;
5. bepaald, bepaaldelijk, net (vaak na ontkenning): niet gaan? integendeel, nu juist wel; dat is nu juist het ongelukkige; daarom juist dringt hij er op aan ; jij moest juist het goede voorbeeld geven en nu doe je aan zo iets mee!; daarom moet je nu juist hèm hebben ?; zonder juist te liegen toch de waarheid niet zeggen.