Wat is de betekenis van Juist?

2019
2020-11-28
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

juist

juist - Bijvoeglijk naamwoord 1. zoals het moet, waar Momenteel is bijna een kwart van de diagnoses die gesteld worden bij patiënten die nog leven, niet juist. juist - Bijwoord 1. daarnet, daarstraks, zopas, net, zo-even, zojuist, zonet.

Lees verder
2018
2020-11-28
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

juist

juist - bijwoord 1. nog maar korte tijd (geleden) ♢ oma is juist gearriveerd 2. in tegenstelling tot wat je zou denken ♢ ik vind witlof niet vies, maar juist lekker Bijwoord: juist Synoniem...

Lees verder
2007
2020-11-28
Lexicon van de Ethiek

Verklarend lexicon van de meest gebruikte begrippen uit de hedendaagse ethiek.

Juist

Het begrip ‘juist’ gaat terug op het Latijnse ius en iustum dat recht of rechtvaardig betekent. We zien dezelfde etymologische band in het Duits en in het Engels waar ‘richtig’ en ‘right’ teruggaan op rectus en dus dezelfde etymologische oorsprong hebben als het begrip ‘recht’ en de hiervan afgeleide termen. Het adjectief rectus dat overeenkomt met...

Lees verder
1998
2020-11-28
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Juist

de -e man op de juiste plaats cliché gebruikt m.b.t. de meest geschikte persoon op wie men op een bepaalde plaats en op een bepaald tijdstip een beroep kan doen. Vgl. Engels the right man on the rightplace. Vanouds is hij een man van de details, maar aan de absolute top moet Jan Kalffhet veelal stellen met een A4’tje. Hij wil de juiste mensen op d...

Lees verder
1973
2020-11-28
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

juist

bn. en bw. (-er, meest —), I. bn., 1. in overeenstemming met recht en billijkheid: een juiste en evenredige beloning; gerechtvaardigd: de klacht is -; 2. in overeenstemming met de gestelde eisen, zoals het behoort of verlangd wordt: zijn reactie was —; een — optreden; 3. berekend voor, in overeenstemming met doel of bestemming,...

Lees verder
1949
2020-11-28
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Juist

een der O.-Friese Wadden-eilanden, ten O. van Borkum; badplaats.

1933
2020-11-28
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Juist

Zeebadplaats, behoorende tot de Oost-Friesche eilanden (IX 576 B 2). Opp. 16,8 km2, ca 1.200 inw.; jaarlijks ca. 11.000 badgasten.

1916
2020-11-28
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Juist

Juist - (uitspr.: juust), een der Oost-Friesche (Duitsche) eilanden; 350 inw.; jaarlijks ± 7000 badgasten.

1898
2020-11-28
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Juist

JUIST, bn. bw. (-er, meest-), nauwkeurig, zooals het moet zijn, precies : de juiste maat; eene juiste uitspraak; het juiste antwoord; juist geraden; dat komt juist van pas; hij komt juist op tijd; — hij kwam juist toen wij weggingen, op hetzelfde oogenblik; — ik ben er niet geweest. — Ik juist ook niet. rouwens; — dat wee...

Lees verder